Fietsenaar....ergens

Zambia Blues

Uit een bar dreunt de zware eentonige beat op een swingende Afrikaanse melodie, gezongen door vervormde stemmen uit een stel speakers van het formaat koelkast. Ernaast zit een stel mannen lurkend aan literpakken Shake Shake. Bier durven ze het te noemen. De ingrediënten maïs, melkzuur, 6% alcohol en nog wat zouden in die richting kunnen duiden. De oogst is binnen, men heeft geld verdiend met de opbrengst en wat kan je beter doen dan feest vieren. Shake Shake is de goedkoopste manier om dronken te kunnen worden. Volgens Rianna, een Peace Corpsmedewerker uit de VS die in een van de dorpjes Engelse les geeft, heeft het spul de nasmaak van kots wanneer je net hebt overgegeven. Ik geloof haar, het spul ruikt zuur en ik waag me er daarom maar niet aan.

In het naastgelegen etablissement bestel ik een Fanta. Een van de mannen is met mij meegewaggeld en en wil een fles Castel lager. Echt bier. 'You are my friend', lalt hij, 'no problems here in Zzzambia'. 'Fffanta for my friend and a Cccastel beer for me' zegt hij tegen de serveerster. 'For him,'be because he is my ff friend,' en wijst in mijn richting.

Ik laat hen beiden weten het bier echt niet te gaan betalen. 'Ik ken deze man niet.'
'She is my sister you know, and you are my friend.'

Wanneer bij het afrekenen de serveerster mij toch het bier in rekening blijkt te hebben gebracht, eis ik het geld terug. 'But what about that man?' vraagt ze. Ik zeg haar nogmaals hem ook niet te kennen. Mokkend geeft ze mij het geld terug en ik laat de twee ruziemakend achter. 

In het restaurant eet in Nshima met groenten en kip. Een man naast mij aan het tafeltje prijst mij moed om hier te komen. 'Vrijwel alle toeristen eten in de luxe onderkomens in Lusaka, hier zie je ze nooit. In het dorp komen eten is het echte reizen,' vindt hij. 'En Nshima, dat is het echte Zambiaanse eten!' Griesmeelpudding zou ik het willen noemen maar dan zonder suiker en het vult goed. 

Buiten kijk ik vertwijfeld om mij heen, de diepe zwarte nacht in naar de hemel waar de sterren schijnen in hoeveelheden zoals ik zelden eerder gezien heb. Naast mij staat David. Hij was er er opeens. Hij vertelt uit Chapita, de 180 km oostelijker gelegen stad, hiernaartoe te zijn gekomen. Zijn vader en moeder zijn dood en hij heeft geen werk meer. Hier is men met de wegenbouw bezig. Het is zijn hoop om werk te kunnen vinden als chauffeur of mecanicien. Hij vertelt me over zijn land en over de problemen die er zijn. Over de lege stuwmeren, de stroomuitval vanwege de elektriciteitstekorten, de eindeloze houtkap en de klimaatverandering. Over werkeloosheid, malaria en aids. Dit dorp is hem onbekend, hij kent er helemaal niemand en zijn geld is op. Ook onderdak zit er vannacht niet in. Het Guesthouse laat hem zonder geld niet toe. Ik vertel hem Zambia geweldig te vinden en wring mij in allerlei hypocriete bochten om het gesprek nog enige vrolijkheid te geven en zijn problemen niet tot de mijne te maken. Jullie hebben een geweldige democratie, met netjes elke vier jaar verkiezingen, een onafhankelijke rechterlijke macht en een heerlijk klimaat waarbij je 's avonds zonder jas op straat kunt lopen. En ook zo veilig, geen vlieg die je hier kwaad doet. 'Mijn land is helemaal niet zo goed als je denkt hoor,' lieg ik. Het is het paradijs niet, de regering zal jou nooit toe laten. Er zitten racisten in het parlement en in de Middellandse Zee verzuipen de vluchtelingen in enorme aantallen zonder dat men er wat aan doet. Maar wat kan hij met deze informatie, 180 km is voor hem al ver. Europa is een utopie die net zoiets is als reizen naar een van die stralende sterren. 'Ja, we zijn een christelijk land, de mensen zijn goed hier', vervolgt David zijn treurige betoog. We zijn alleen zo arm. Een vrachtwagen start zijn motor, twee mannen schudden elkaar de hand en de muziek komt opeens abrupt tot stilstand. Ik heb de hele dag nog helemaal niets gegeten, heb jij misschien wat voor me, zegt hij verlegen,' na enige tijd. Ik neem hem mee naar een van de vele patatbakkers op straat, die naast rokende vuren aardappels schillen, in reepjes snijden en in zwarte olie gaarbakken bij het licht van batterijlampen. Het Traveller's Point vind hij echter een betere plek. Eerder vanmiddag was ik er al even. Bij de verkoopster met de guitige haardos en de vrolijke pretoogjes. Het doet mij deugt haar weer te zien. Treurig sjokt de jongen de nacht in en peutert met een lucifer de laatste resten friet tussen zijn tanden vandaan. Een nacht vol vragen en onzekerheden treedt hem tegemoet.

1 reactie | reageer

Schoenzolen en beton

Met een vermoeide blik deponeert een man zijn handelswaar op de grond. Het leven is alles behalve makkelijk in Tanzania. Het zijn schoenen, welke hij bijeengebonden aan de veters over zijn schouder met zich meedroeg. Glimmende leer in bruin en zwart. Een fles bier bestelt hij en hij neemt plaats op een van de plastic stoeltjes. De hele dag lang zal hij hebben geprobeerd sjokkend en leurend langs de straten zijn schoenen aan de man te brengen.

In het naastgelegen restaurant bestel ik mijn maaltijd: rijst bonen en groenten. Eigenlijk tegen mijn zin met rundvlees erbij. Maar met de bijbehorende rode saus is de rijst wat wat makkelijker weg te werken. De vliegen die je er bij de slager omheen ziet zwermen denk ik maar even weg en hopelijk zitten ze er niet meer tussen. Het is vrijwel iedere dag hetzelfde wat ik eet. Rijst, bonen en een schep andijvie- of spinazie-achtige groenten. Op zich niet eens zo heel erg verkeerd maar op een geven moment wordt het wat eentonig en gaat het voor een verwende westerling die ik ben wat tegen staan. 's Middags wil ik wel eens friet nemen, dat is doorgaans gedecoreerd met enkele flinterdunne schijfjes tomaat. Voor de afwisseling. Helemaal begrijpen doe ik het alleen niet, de tomaten langs de kant van de weg liggen in dusdanig grote hoeveelheden te koop, dat een wat ruimere hoeveelheid wel voor de hand gelegen zou hebben. Je hebt toch vitamines nodig?

Gisteravond dacht ik het beter te treffen. Het restaurant was beduidend groter dan elders en het was er druk. Normaal gesproken moet je goed zoeken. Achter een omheiningen gemaakt van houten planken tref je rijtjes pannen op een vuur van hout of houtskool aan. Dat zijn net als in veel andere arme Afrikaanse landen de restaurants. Loocaties van het soort dat bij ons tijdens de kerstdagen voor Jozef en Mariastal door zou kunnen gaan. Net als alle andere handel in Tanzania, is het aanbod enorm versnippert. Klein, kleiner kleinst. Als werkloze vrouw begin je met beperkte middelen een eetgelegenheid, als man verkoop je bijvoorbeeld schoenen langs de kant van de straat. Ieder doet zijn ding en probeert krampachtig zijn schamele graantje mee te pikken binnen het economisch kippenhok. Alles beter dan thuis niets doen. Men wil heel graag maar lukken doet het helaas niet altijd.
Op het menu stond deze keer iets geheel anders dan de eeuwige rijst met bonen of patat met tomaat. Het leek iets van aubergine courgette of een andere onduidelijke groente te zijn met aardappelen, en oké de onvermijdelijke bruine bonen zaten er ook weer bij maar het geheel was nu zowaar gedecoreerd met iets dat op geraspte kaas leek. Het zag er best wel feestelijk uit. Tot mijn teleurstelling bleek het bord voedsel voornamelijk aardappelen te bevatten omgeven met een gladde sausachtige substantie. Ik had het ook wel kunnen weten, naast tomaten en uien, zijn het vooral aardappelen en knollen die je in allerlei soorten en maten op de markten aantreft. De gewone aardappelen zoals wij deze ook kennen maar ook langwerpige rode en gele gevallen en aardperen of iets dergelijks. Mijn bord bevatte zeker drie soorten. Na de eerste hap was er van het idee een creatief samengesteld smakelijk maal te hebben besteld weinig meer over. Ergens halverwege bekroop mij het angstige gevoel dat de zware substantie wel eens uitgehard in de vorm van beton op de bodem van mijn maag zou kunnen blijven liggen. En last but not least, bleken er ook nog twee stukken rundvlees tussen te zitten, van dezelfde kwaliteit als die van vandaag.

Ondertussen vraag ik mij onwillekeurig af hoe het kan dat de schoenenverkoper in staat is zichzelf op bier te trakteren. Maar wat de groenten betreft heb ik deze keer meer geluk. Het is witte kool, niet meer dan twee eetlepels maar toch... Wanneer ik mijn bord leeg heb is de  schoenenman inmiddels verdwenen. Ik ga maar eens op zoek naar de eerste de beste fruitverkoper. Bananen, sinaasappels en ander goed fruit is er gelukkig volop. En...het is waanzinnig lekker! Met de vitaminen moet het via deze weg maar opgelost worden. En morgen, ach dan eet ik opnieuw rijst met bonen. Want de dames vinden het geweldig dat je bij ze komt eten. Twee dagen terug was het: 'We are so happy to see you!' en bij het weggaan klinkt steevast 'Welcome next time again!', in dien men wat Engels spreekt. Met zoveel vriendelijkheid neem je de eentonigheid snel voor lief en lieg je iedere keer dat het het vreselijk lekker was. En morgen, als het guesthouse het toelaat, ga ik voor de verandering eens macaroni maken op mijn benzinebrander met heel veel verse tomaten en ander lekkers erin. Maar toch... vrouwen van Tanzania, gezien de gemiddelde levensverwachting in jullie land, had ik eigenlijk al enkele jaren dood moeten zijn. Mijn stelling is daarom: als je een beetje creativiteit aan de dag legt blijf je jong. En creativiteit is gratis toch? Dus kom op als ik volgend jaar terugkom, maken jullie niet meer precies hetzelfde als je buurvrouw! Allemaal wat anders! Afgesproken? Dan betaal ik jullie het dubbele.

2 reacties | reageer

Hokjes

Waneer je op reis bent is een vergelijking maken en zoeken naar overeenkomsten met Nederland onwilleurig vaak het eerste wat je doet. Niet zo verwonderlijk is het dat net als bij ons, men ook in Tanzania alles overzichtelijk in in groepen en categorieën indeelt. Niets menselijks is hen vreemd. De accenten liggen alleen wat anders. Zo moet je als je je aanmeldt bij een guesthouse, niet alleen je naam, adres, woonplaats en paspoortnummer opgeven maar ook de stam waartoe je behoort. Mzungu, zou ik wel in willen vullen, het betekent 'blanke' en het wordt je overal op straat door vooral de kinderen, luidkeels naar je hoofd geslingerd. Een blanke vent op een fiets is een bezienswaardigheid. Toch zijn de mensen onderling heel verdraagzaam: moslim, christen, stam A, stam B of anderszins, problemen met elkaar lijkt men niet of nauwelijks te hebben. Koop je wat bij de een, dan zal het naastgelegen winkeltje met een vrijwel identiek assortiment geen scheve ogen trekken. 'We behoren allemaal tot een familie', zo verzekerde een jongen mij op straat.

Naast de mensen kun je als bezoeker van Tanzania natuurlijk niet om de dieren heen, het land is vermaard om zijn enorme schat aan wild en dan vooral natuurlijk 'the big five' . Dat deze beesten bij ons in hokken in dierentuinen zitten zal men hoogst waarschijnlijk vreemd vinden. De Tanzanianen zijn trots op hun wildparken waar al die fraaie dieren zo vrij en blij in rond mogen lopen. Hoewel, een wildpark zou je eigenlijk ook wel een groot hok kunnen noemen. En terecht natuurlijk, het zou niet best zijn als er een of ander wild beest je kudde op komt eten.

Wonderlijker is het dat behalve wilde dieren er zich ook mensen in de wildparken bevinden. Mzungu vooral, blanke toeristen. Die zie je elders niet. De gehele weg vanaf Dar es Salaam tot hier, heb ik er geen enkele blanke gezien. En nu bij het Mikumi National Park zijn ze er opeens weer. Keurig op de plaats waar ze horen, in het hokje dat je toerisme kunt noemen. Mannen, vrouwen, kinderen, families of alleengaande het is allemaal vertegenwoordigd.

Eerlijk is eerlijk, ook ik zal er aan moeten geloven, ook ik moet mijzelf in een hokje indelen. Het hokje individuele fietsreiziger. Degene die zich nergens wat van aan wenst te trekken en zijn eigen plan trekt. Hij heeft vertrouwen in de goedheid van de mensen die hij tegen komt, wil zich graag laten verrassen en waant zich soms zelfs stiekem een tweede Livingstone. Een wildpark bezoeken? Nee, dat is iets voor toeristen. Zelf over de weg er dwars doorheen fietsen, wordt dan het plan. Met een beetje geluk kom je dan ook van alles tegen. Ja, je zou mij een gestoorde gek kunnen noemen, want naast kuddes angstige grazers bevinden zich er volop leeuwen, jachtluipaarden en ander gevaarlijks. Maar er was geen andere weg en overdag levert het geen problemen op zo werd mij meermalen verzekerd. Als reiziger probeer je te proeven of men echt meent wat men zegt en of het geen onzinpraatjes zijn. In dit geval leken mijn informanten voldoende betrouwbaar, een was als ingenieur werkzaam aan de universiteit. Nier de eerste de beste praatjesmaker dus. En hij kreeg gelukkig gelijk, het kwam goed. Een kudde giraffen, een olifant half verscholen in het struikgewas, twee bavianen, een kudde schichtige zebra's, impala's die achterdochtige blikken mijn kant op wierpen en drie enorme zwarte vogels met merkwaardige rode snavels waren het resultaat van mijn privé-safari. Leeuwen, vast ook in groepjes bij elkaar, deden hun middagdutje gelukkig rustig elders. De grommende vrachtwagens die mij zo nu en dan vergezelden, zouden hen immers uit de slaap kunnen houden en daar zijn leeuwen doorgaans niet zo op gesteld.

Maar toch... soms vraag ik mij wel eens af, ben ik toch niet het wilde beest dat dusdanig lang in het hokje 'fiets' zit opgesloten dat hij er zelf niet meer uit wil? Vertrouwd vastgeroest in zijn doen en laten? Het zou zomaar kunnen. Maar ach, je moet wat in dit leven toch? Zolang je maar gelukkig bent! Ik fiets daarom nog lekker even door, tot de twee maanden om zijn. Onder andere om er hier verslag van te kunnen doen en alles wat ik zie een plek in mijn geheugen te kunnen geven, in een hokje.











2 reacties | reageer

Cocktail

'Vliegen is reizen overslaan', een citaat van good old Frank van Rijn. Een bewering waar ik me maar al te goed in kan vinden, er mist iets als je vanuit het eigen Nederland, opeens ver weg van een vliegtuigtrap afloopt. Dat gevoel is hier op Zanzibar sterker nog dan vorig jaar in Turkije, ondanks dat ik in de loop van de jaren al wel de nodige reizenoverslaanervaring heb opgedaan. Acht uur achtereen in een vliegtuig zitten schakelt bovendien je zintuigen lam mede ten gevolge van slechts een uurtje slaap gedurende de nacht.

Het is wonderwel mijn reuk dat de vlucht het beste lijkt te hebben doorstaan. Normaal laat dit zintuig het bij mij nogal afweten maar in het vliegtuig heeft het kennelijk naast wat kerosinedampen, weinig te verduren gehad. De kustmatige atmosfeer van het vliegtuig maakt plaats voor een atmosfeer gevuld met een cocktail van bestanddelen die zich moeilijk laat omschrijven. Als ik een poging zou moeten wagen dan zou het misschien een mengsel van kardemom, kruidnagel, gember en kerosine zijn. Een geur uit het eiland geperst door een loodzware lucht vol waterdamp die de complete verzadiging aardig weet te benaderen. En nee, het zal een afwijking zijn, juist dit soort specerijen zijn niet diegene waar je mij 's nachts wakker voor mag maken. Aan specerijen heb ik een broertje dood, zelfs de peperbus blijft bij mij thuis onaangeroerd. Verderop vermengt dit onsmakelijke bouquet, minus de kerosine, zich met uitlaatgassen van het verkeer en stank van brandend afval. Om dit geheel verder in te kleuren, gebeurt dit te midden van de herrie van Italiaanse scooters, auto's, vrachtauto's, taxibusjes en wat al niet meer. Een spons vol mieren, zoiets. Verder weg van Zanzibar Town neemt de drukte gelukkig af en blijft de specerijengeur enkel nog over. En, zal je vast zeggen, wat ben je weer negatief Harry! Zou kunnen ja, maar het is ook maar hoe je het ziet. Ik had natuurlijk direct naar een fraai resort kunnen gaan, veilig en wel in een taxi. En daar op het stand en snorkelend in de oceaan had ik me vast en zeker in een paradijs gewaand. Dit eiland herbergt namelijk volop witte bounty-stranden compleet met palmbomen, hangmatten en topische fruitcocktails in allerlei smaken. Maar ja, dat soort lui genietgedrag is niet zo aan mij besteed. Ik zoek toch liever de rauwe wereld op zoals deze zich hier in het binnenland afspeelt. Zoals ik al zei, vliegen is reizen overslaan, was ik al langere tijd onderweg geweest dan had het verblijf hier onderdeel uitgemaakt van een enerverend geheel en had mijn berichtgeving wellicht een heel andere toon gekregen. Maar met de overgang van het rijke Nederland naar deze tropische kookpot binnen een halve dag, ligt dat net even anders. Je zou het cultuurshock kunnen noemen. Dat is alleen net even te sterk uitgedrukt. Daarvoor ben ik ondertussen al te vaak op dit soort uitdagende plaatsen geweest. Nog even wachten maar, na verloop van tijd zal ik Zanzibar gaan herinneren als een fantastische plek waar wat te beleven viel. Ik voel nu al dat dit gaat gebeuren.

2 reacties | reageer

Vol gas, gastvrij

Ga toch bidden man! Vraag Allah om een nieuwe truck in plaats van dat barrel van je van voor de revolutie! Mack, Amerikaans nog wel, daar kon je bij de Sjah nog mee aankomen kakken! Je tapijten vliegen toch ook al lang niet meer? Met die roetwolken vergiftig je mij niet alleen maar ook jezelf, je vrienden je familie...iedereen! Of is dit de manier om in het paradijs te komen? Hoestend op een zwarte wolk naar Allah met stof, roet en kanker in je longen. Bah! Viespeuk! En als je dan uitstapt zal je me vast een sigaret aanbieden. En wanneer ik die dan weiger, steek je er zelf doodkalm een op en blaas je de rook zonder er erg ik te hebben recht in mijn gezicht. Idioot! Dat je maar bedankt wordt. Jij wil vroeg dood, ik niet! Je paradijs mag je houden, ik wil het hier en nu.
Een uur geleden heb ik er een zware beklimming door prachtig berglandschap op zitten. Langs sprookjesachtige dorpen met huizen die trapsgewijs tegen de bergwand zijn gebouwd, majestueuze bergen met een rivier ver weg beneden in een peilloze diepte. Zwoegen over wegen die als serpentines naar boven leiden, de warmte en het deels zeer slechte wegdek, laten sporen na. En als je dan daarna nog op stof, lawaai en uitlaatgassen getrakteerd wordt kan het gebeuren dat er minder vriendelijke woorden over je lippen komen. Zeker als je ook nog te horen krijgt waarom al dat verkeer hier rond rijdt. Even verderop bouwen honderden bouwvakkers namelijk aan een nieuwe dam in diezelfde rivier die er eerder nog zo prachtig in de diepte lag. Een megaproject. Het doel? Nee, niet het opwekken van elektriciteit, daar heeft men olie en gas voor in Iran en dat kost bijna niets. Nee het water, daar draait het om. Water dat Esfahan en omstreken nodig heeft. Dorst! Met door de bergen geboorde tunnels leid je eenvoudigweg de rivier om. Het treft alleen slecht dat die rivier nu nog naar Irak stroomt. Het gevolg is dat men daar straks geen of nauwelijks water meer aangevoerd krijgt. Maar met een gammel regime aan de andere kant van de grens, die het vooral druk heeft met ISIS en andere religieus geïnspireerde boeven, kan je wellicht gewoon je gang gaan.
En in dat land fiets ik rond. Het geeft te denken, want hoe zat het ook alweer met dat kernenergieprogramma? Zouden de Amerikanen dan toch gelijk hebben? Zou die bom er echt komen? En al die executies die hier op grote schaal plaatsvinden, het onderdrukken van vrouwen, homo's, christenen en noem maar op. Hoe zat het daar ook alweer mee? Kortom, wat doe ik hier eigenlijk?
De ene na de andere vrachtwagen gaat voorbij. Met zand, cement, stenen en wat al niet meer. De wielen denderen met veel kabaal over de kapot gereden wegen en werpen stof de lucht in. De graafmachines en de schuddende en rammelende grindzeven doen er nog een flinke schep bovenop. De wind stuwt het stof verder omhoog en de hele omgeving verdwijnt in een verstikkende mist. Bij een machine lekt diesel de straat op en geeft het geheel nog een 'fijn' geurtje mee. Het spiegeltje op mijn bril zou je een geschenk van Allah zelf mogen noemen. Ik kan er alles achter mij scherp mee in de gaten houden. Al menigmaal ben ik net op tijd de berm in gevlucht om te kunnen stoppen, mijn hoofd af te wenden en een stuk textiel voor mijn neus te houden. Fijn fietsen dat was gisteren en vanmorgen, nu niet meer. Chagrijn krijgt de overhand.
Maar dan stopt er een auto en de man achter het stuur vraagt waar ik vandaan kom. “Heb je wel genoeg te eten bij je?” vraagt hij. “En te drinken? Hier pak aan brood, tomaten en koud water. Heel belangrijk voor jou.” Verderop stopt een volgende auto. “Ik heb nog thee over van de picknick, kom, even stoppen. Enne, mag ik een foto van je maken? En nog even een selfie. Zo ja, dankjewel! Holland gewonnen hé, vijf één van Spanje haha!” 's Middags wordt ik uitgenodigd om thuis bij een man die mij op straat aanspreekt, te komen lunchen. En passant word ik ook nog geacht van zijn douche gebruik te maken. Voor het eten dien je je te wassen en na een nacht wildkamperen ruik ik vast niet meer zo fris.
Al die oprechte interesses, al die vriendelijke mensen, die zorgen er voor dat Iran een geweldig land is en blijft. Het geeft mij de energie om nog even door te gaan. Bij de bakker hoefde ik mijn brood niet te betalen, de groenteboer gaf mij gratis fruit ondanks dat ik meermalen aandrong tocht echt te willen betalen. In de steden vermaken mensen zich in het park, met tentjes, picknick en waterfietsen in de vijver. Een kleurrijk en vrolijk schouwspel dat een tegenbeeld vormt van de strenge gezichten van Khomeini en Khamenei die op propagandaborden overal in het straatbeeld zichtbaar zijn, vaak naast de voor God en vaderland gestorven helden. Graag leg ik tientallen malen per dag geduldig uit dat ik uit Hollènd, Amsterdam kom, 35 jaar ben en iets met schrijven op websites doe die iets met toerisme en fietsen te maken hebben. De rest kan ik bij gebrek aan Farsi toch niet uitleggen en als ik mijn echte leeftijd noem, gelooft men mij niet. Geen wonder, want met al die viezigheid in dit land wordt je helaas snel oud. Overal rijden oude vieze voertuigen. Mensen van 25 schat ik soms op 40. Om niet al te veel op hen te gaan lijken zal ik daarom niet al te lang meer door blijven fietsen, ik wil graag nog even '35' blijven. In Esfahan is het even afgelopen. Teheran infietsen, die uitdaging laat ik graag aan anderen. Ik pak de bus want ik ben bang dat al dat bidden niet zo helpt zolang de brandstof slechts enkele centen per liter kost en het blijft lonen om dat oude slurpende en vervuilende schroot aan de praat te houden.

0 reacties | reageer

Haider Al Mosawi from Bagdad

“Goodbye my love goodbye, I always will be true...”, de zoete klanken van Demis Roussos zweven door de hotelkamer uit een portable dvd-speler, gevolgd door romantische pianoklanken van wat wel eens Richard Clayderman zou kunnen zijn. Op een bed dat als rekwisiet in een Sisi-film niet zou hebben misstaan, zit een man in een roze overhemd gebogen over een groot vel papier dat hij de hoteljongen laat vasthouden. Met potlood tekent hij er met grote halen een portret op, onderbroken met zo nu en dan een slok uit een fles whisky.

Achter het bed geen muur maar een rotswand van de berg waartegen het hotel is gebouwd. Door een goot klatert een stroompje dat is afgetakt van de waterval verderop. Helaas wordt de romantische sfeer tenietgedaan door de rest van de entourage. De kamer is niet meer dan een vierkant betonnen hok zonder aankleding en is vergeeld ten gevolge van achterstallig onderhoud. “Dit hotel moet beter”, vindt ook Haider Al Mosawi, brillenhandelaar uit Bagdad. Hij gebruikt het hotel als uitvalsbasis om zijn handel in het rijke Koerdistan te kunnen verkopen en als toevluchtsoord voor zijn familie. Voor het gemak huurt hij daarom maar meteen het hele hotel. Mij leverde dat een gratis overnachting op.

“No, not good”, schudt hij afkeurend zijn hoofd en legt zijn potlood opzij. "Yes mister Harry, next time I will make a portrait of you! And tomorrow, I will show you the house of Saddam Hussein. There, I have very important words to say. All Arab people will understand. And then they will know that what they are doing is very very wrong! Yes mister Harry, and when you record this with your camera, you can become a millionaire. My speech will be historical. They will pay you a lot of money for my words. Believe me mister Harry.”

Het Arabische deel van Irak is een langs religieuze lijnen verscheurd land. Het heeft aan de ene kant een sjiitische meerderheid die weinig heeft te vertellen en aan de andere kant een soennitische minderheid die de politieke macht heeft. Beide groepen gunnen elkaar het licht in de ogen niet. En ergens op de achtergrond leven ook nog groepen christenen.

's Morgens laat ik mijn fiets een dag voor wat hij is en rij met mister Mossawi mee in zijn auto vol zonnebrillen naar een van de voormalige onderkomens van Saddam Hoessein, een robuust, hoekig gebouw bovenop een heuvel. Het is in 2003 door de Amerikanen tot ruïne gebombardeerd en omgeven door een nog intact zijnde, kilometers lange betonnen muur. Haider stapt uit zijn auto, instrueert zijn vriend, die hij tot tweede cameraman heeft benoemd en gaat als een volleerd presentator aan het werk. Arabische poëzie oreert hij, zinnen gevuld met melancholie en venijn, afgewisseld met eenvoudig Engels: “This is the history of everybody killing his people. Like Hitler, like Mussolini, like Saddam Hussein. This is the house of Saddam Hussein...” In gedachten zie ik hem denken aan duizenden verblufte televisiekijkers tot het moment dat hij opkijkt en zijn omgeving weer even gewaar wordt. “Mister Harry, maybe your friends don't believe this is the house of Saddam Hussein”, om daarna weer verder te gaan in dramatisch klinkend Arabisch.

Voor mij staat Haider Al Mosawi, brillenhandelaar uit Bagdad, die een poging doet om met een toespraak de situatie in zijn land rigoureus te veranderen. Ik vraag me af hoe het is gesteld met mijn journalistieke intuïtie. Mis ik hier een belangrijk moment en moet ik morgen direct Al Jazeera bellen? Of heb ik te maken met een verwarde man?

Mister Mosawi geeft zelf al het antwoord, hij sluit zijn korte betoog met het noemen van de telefoonnummers waarop men hem kan bellen. Hakkelend en haperend. Uit zijn binnenzak vist hij een pen, zoekt tegen beter weten in naar de cijfers op zijn spiekbriefje en knijpt krampachtig zijn ogen toe. De allerlaatste steun voor zijn geheugen waar de alcohol een gat in lijkt te hebben gevreten. Mijn twijfel maakt plaats voor medelijden, die zich direct vermengt met respect voor deze toch wel bijzondere man. Met zijn bevlogenheid toont hij mij zijn land dat verderop, achter de grenzen van de Koerdische regio ligt. Het gebied waar de erfenis van Saddam de mensen figuurlijk blind en kreupel heeft geslagen. En ik besef meer dan ooit hoe verstandig het was om de afslag naar Bagdad en Mosul voorbij te fietsen. Mensen zoals hij zullen er niet veel zijn. Zijn beste vrienden zijn christen, de hoteljongen die hij speciaal heeft ingehuurd, is het en hijzelf, hij is moslim. Bij zoveel andere mensen in dit land is een dergelijke verbroedering ver te zoeken. De verschillende bevolkingsgroepen wonen hier in het welvarende en vreedzame Koerdische noorden van Irak al in aparte dorpen. Het laat zich raden hoe het in het Arabische deel zal zijn. Nee, het leven in een door oorlog verscheurd land is beslist niet makkelijk.

Wanneer we 's avonds weer terug in het hotel zijn en ik hem de opname laat terugzien, spreekt hij de woorden letterlijk mee; de gedichten kent hij uit zijn hoofd. Dan gaat de telefoon. Het gesprek in het Arabisch dat volgt, is kort. Haider schenkt zichzelf een zoveelste glas bier in en roept dan opgetogen uit: “De ministers zijn hier in het dorp vlakbij. En de televisie komt ook. Ze gaan mij interviewen!”

Zie ook: https://vimeo.com/100450852

1 reactie | reageer

The will to live!

"Tonight's the world has gone mad”, it is the title of a book by the much too young died Karel Glastra van Loon. In it he wrote: "Actually, you see nothing special when someone is hit by a bullet. For example, you see this. A man on a bicycle. He rides very quietly, in a nice straight line. Next to him passes an open army truck. The truck is filled with several dozens of soldiers. Young boys, still children. They wear helmets and machine guns. Some are having a gun in their hand. With that gun they shoot occasionally in the air. Or on a casual passer. The gun sounds. The cyclist starts swinging. He brings a hand to his head. Then he tumbles to the asphalt, a heap of human flesh in summer clothes, between steely chrome, black tubes and a revolving wheel. "

It is that image that I'm having in my mind several times now since I cycle through the north of Iraq, or better said through Kurdistan. The Kurds have been for centuries the greatest nation in the world without an own country. They live in large parts of Turkey, Iran, Syria and Iraq. The three northern provinces of Iraq where the Kurds live, got autonomy after the invasion of the Americans. Finaly recognition at after years of oppression.

And I think back to 25 years ago, when a friend asked me to go cycling to Switzerland. Switzerland? That's very far away, an major undertaking. That's how I thought about it then. Along the way you have to speak German. Do I can? I succeeded and and it was a first step to start to explore more. I learned that wherever you go, everywhere very normal people are living. Just like you and me, but each with its own language, traditions and habbits. Even in countries that are still being defined by some people as monkey countries, I found out that it is that way. You push your self towards new limits and learn to know the world. Almost everywhere you're welcome.

The last obstacle that is keeping me from visiting a country is war. To move yourself in between is asking for trouble. Though? Is that true? What is war anyway? How does it feel when you're in the middle? Is there anything to be noticed of that, now I cycle through Kurdistan Iraq? Or is it as Karel Glastra van Loon describes just suddenly there?

The Kurds in northern Iraq are very happy with their acquired autonomy. Proudly they speak of Kurdistan. Iraq has become a sideshow, a mess that's no longer to be taken seriously, where Arabs fighting with each other till the very end. Kurdish flags waving everywhere, along with those of various political parties: decorated trees, buildings and lampposts with flags in yellow, green and blue. The region has a good government and a living democracy. Everywhere you go you can taste the enthusiasm and a lust for live. People return are after years of exile to their homeland and are helping to rebuild the country. With unprecedented success. The traffic jam of thousands of trucks at the border with Turkey speaks as thousand words. And that without an own banking system. Anywhere you go you pay with the weak Iraqi Dinars. Okay, there are petrol dollars behind it, but ATMs are nowhere to be found.

The most thats speaks to my imagination is my encounter with a man. Six years he lived in the Netherlands and Belgium. Two from that in Ter Apel in the centre for asylum seekers. I met him in his shop. As he calculate the shoppings of his customers, he says, "You have a saying in the Netherlands do you? East west, home is best! Ha, that's it for me! It is hard work and at the end of the day I'm tired, but that's okay. Come with me, I have to help my brother".  Behind the shop there's a room under construction. On a small scaffold works his brother. He's plastering the walls with cement. "I help him in between here, otherwise he must climb the scaffold up and down all the time." With a shovel the shopkeeper fills the tub on the dock again and than he runs straight back to his shop to help the next clients. When I step back on my bike, he runs with me outside, leaves his shop again for what it is and climbs on a tractor. “Job number three?" I ask him. But in the engine noise my words disappear, he's not hearing me anymore. With a big grin he waves me goodbye.

In such a country war seems very far away. And yet I ask myself every time again: maybe I do mis interpret the situation? Might I later be the man on that bicycle? Can there be a moment that an army truck passes by and will I lie afterwards on the road next to a rotating front wheel? As the crow flies, I cycle less than fifteen kilometers from Mosul and also on the Kirkuk road going in the direction of Sulaymaniyah.

And then suddenly an army truck with soldiers stops, as suddenly out of nowhere, the first military vehicle that I encounter, when the border with Iran is already getting pretty close. Rough men jump off in dark green uniforms, armed with machine guns. "Passport" shouts a thick Saddam lookalike with big black mustache. The men are members of the independent Kurdish army, their emblems made that clear. Once they have understood that there is little to fear from me, they want me to join them for a photograph. A crazy fool on a bike is welcome here. When they are leaving, they wave me goodbye enthusiastically. It is an incident that I could easily make bigger than it is. I could tell at home with bravado: Look what is happening here on the streets! In reality, it's nothing compared to what I went through the rest of the time. In the Netherlands also ride military trucks.

Before I left home, I read in the newspaper about a deadly shooting incident in the north of Amsterdam, the place where I grew up. I have not noticed anything, and also my mother didn't, while she still lives there. And so it's here too. Although the scale at which incidents takes place, is different off course. At the other hand, the population over here knows very well what war is. Saddam, poison gas, bombing, all of them has experienced it in the firsthand. And in everything you feel that this is the very, very last thing wich anyone still wants. The problems are in Iraq. Kurdistan is a country that wants to live!

--------

'Vannacht is de wereld gek geworden', het is de titel van van een boek van de veel te jong overleden Karel Glastra van Loon. Hierin schreef hij: 'Eigenlijk zie je niets bijzonders als iemand door een kogel wordt getroffen. Je ziet bijvoorbeeld dit. Een man op een fiets. Hij rijdt heel rustig, heel bedaard, in een mooie rechte lijn. Langs hem raast een legertruck met een open laadbak. De open laadbak is gevuld met enkele tientallen soldaten. Jonge jongens, kinderen nog. Ze dragen helmen en machinegeweren. Enkele hebben een pistool in de hand. Met dat pistool schieten ze af en toe in de lucht. Of op een toevallige voorbijganger. Het schot klinkt. De fietser begint te slingeren. Hij brengt een hand naar zijn hoofd. Dan tuimelt hij tegen het asfalt, een hoopje mensenvlees in zomerkleren, tussen blikkerend chroom, zwarte stangen en een ronddraaiend voorwiel.'

Het is dat beeld dat mij meermalen voor ogen staat nu ik door het noorden van Irak fiets, of beter gezegd: Koerdistan. De Koerden zijn al eeuwen lang het grootste volk ter wereld zonder eigen land. Ze wonen in grote delen van Turkije, Iran, Syrië en Irak. De drie noordelijke provincies van Irak waar voornamelijk Koerden wonen hebben na de inval van de Amerikanen zelfbestuur gekregen. Eindelijk erkenning na jaren van onderdrukking.

En ik denk terug aan 25 jaar geleden toen een vriend mij vroeg mee naar Zwitserland te gaan fietsen. Zwitserland? Dat is toch wel erg ver weg, een hele onderneming. Vond ik toen. Onderweg moet je Duits praten. Kan ik ik dat wel? Het lukte en het bleek een eerste aanzet tot het verkennen van meer. Ik kwam erachter dat waar je ook gaat, overal heel normale mensen blijken te wonen. Net als jij en ik maar ieder met zijn eigen taal, tradities en gewoonten. Zelfs in landen die nu nog steeds door sommigen als apenlanden worden omschreven, bleek dat zo te zijn. Je verlegt je grenzen en maakt kennis met de wereld. Vrijwel overal blijk je welkom te zijn.

Het laatste obstakel dat mij weerhoud om een land te bezoeken is oorlog. Je daartussen beven is vragen om moeilijkheden. Hoewel? Is dat wel zo? Wat is oorlog eigenlijk? Hoe voelt het als je er middenin zit? Zou nu ik door Koerdistan Irak fiets, er iets van te merken zijn? Of kan het zoals Karel Glastra van Loon beschrijft opeens zomaar aanwezig zijn?

De Koerden in Noord Irak zijn waanzinnig bij met hun verkregen zelfbestuur. Trots spreekt men van Koerdistan. Irak is bijzaak geworden, een niet meer serieus te nemen puinhoop waar Arabieren elkaar naar het leven staan. Overal wapperen Koerdische vlaggen, naast die van diverse politieke partijen: gepavoiseerde bomen, gebouwen en lantarenpalen met vlaggetjes in geel, groen en blauw. Men heeft een goede regering en de democratie leeft. Aan alles proef je het enthousiasme en de levenslust. Mensen zijn na jaren van ballingschap teruggekeerd naar hun geboortegrond en helpen mee om het land weer op te bouwen. Met ongekend succes. De file van duizenden vrachtwagens aan de grens met Turkije spreekt boekdelen. En dat zonder er een eigen bancair systeem op na te houden, overal betaal je met slappe Iraakse Dinars. Oké, er zitten oliedollars achter maar pinautomaten zijn nergens te bekennen.

Het meest tot de verbeelding sprekend is nog mijn ontmoeting met een man. Zes jaar verbleef hij in Nederland en België waarvan twee jaar in Ter Apel in het AZC. Ik ontmoet hem in zijn winkel. Terwijl hij de boodschappen van zijn klanten afrekent zegt hij: “Jullie hebben in Nederland een spreekwoord hè? Oost west, thuis best! Ha, zo is het voor mij! Het is hard werken en 's avonds ben ik moe maar dat is niet erg. Kom even mee, ik moet ook mijn broer helpen...” Achter de winkel tref ik een ruimte in aanbouw. Op een kleine steiger staat zijn broer. Hij stuukt de muren met cement. “Ik help hem tussendoor even, anders moet hij steeds de steiger op en af.” Met een schep schept de winkelman de bak op de steiger weer vol en rent direct weer terug naar zijn winkel om de volgende klanten te helpen. Wanneer ik weer op mijn fiets stap, loopt hij met mee naar buiten, laat zijn winkel opnieuw voor wat het het is en klimt op een tractor. ?Baan nummer drie?” vraag ik hem nog. Maar het motorgeraas overstemt mijn woorden, hij hoort me niet meer. Met een grote grijns zwaait hij mij tot ziens.

In zo'n land lijkt oorlog heel erg ver weg. En toch vraag ik mij telkens weer af: Maak ik er misschien een verkeerde voorstelling van? Ben ik misschien straks die man op die fiets? Kan er zo dadelijk zomaar een legertruck langs komen rijden en lig ik dan op de grond naast een ronddraaiend voorwiel? Hemelsbreed fiets ik op nog geen vijfentwintig kilometer van Mosul vandaan en later ook richting Sulaymaniyah over de weg die vanuit Kirkuk komt.

En dan stopt er een legertruck met soldaten, zomaar opeens vanuit het niets, het allereerste militaire voertuig dat ik tegenkom, op het moment dat de grens met Iran al aardig in de buurt begint te komen. Ruwe mannen springen er af, in donkergroene uniformen, bewapend met machinegeweren. "Paspoort!" brult een dikke Saddam lookalike met grote zwarte snor. De mannen zijn aan hun emblemen te zien van het onafhankelijke Koerdische leger. Nadat ze begrepen hebben dat er van mij weinig te vrezen valt willen ze met me op de foto. Een gek op een fiets is hier welkom. Bij het afscheid zwaaien ze mij enthousiast tot ziens. Het is een incident dat ik onder een vergrootglas zou kunnen leggen en waarover ik met bravoure thuis zou kunnen vertellen: Kijk eens wat daar allemaal gebeurt op straat! In werkelijkheid valt het voor mij in het niets in vergelijking wat ik de rest van de tijd meemaakte. In Nederland rijden ook militairen in trucks.

Voordat ik van huis vertrok las ik in de krant over een dodelijke schietpartij in Amsterdam Noord, de plaats waar ik opgroeide. Ik heb er niets van gemerkt en ook mijn moeder die er nog steeds woont niet. En zo is het hier ook. Al is de schaal waarop een en ander gebeurt natuurlijk wel even anders. Daar staat dan weer tegenover dat de bevolking hier wel heel erg goed weet wat oorlog is. Saddam, gifgas, bombardementen, men heeft het allemaal aan den lijve ondervonden. En aan alles voel je dat dit het aller, allerlaatste is waar men nu nog behoefte aan heeft. De problemen zijn in Irak. Koerdistan is een land dat wil leven!

0 reacties | reageer

Oorlogsveteraan in Amedi

“Een verhaal in je hoofd prenten en het op elk moment paraat hebben, dag en nacht, om aan te kunnen tonen waar je geweest bent op wel uur en op welke dag. Zo heb ik kunnen overleven. Je vertelde ze bijvoorbeeld dat je gisteren in Syrië zat voor handel en vandaag pas aangekomen bent. Dat soort dingen. Oorlog is liegen en bedriegen, een heel erg vuil spelletje.

 

Ik woon hier nu anderhalf jaar, in het huis van mijn schoonouders. Ik ben christen en kom uit Bagdad, daar is het nog steeds een puinhoop. Hier is het rustig. Jarenlang heb ik in het leger gediend, als tolk.

En ik begrijp het ook niet. Saddam vermoordde duizenden Koerden. Wat de Amerikanen aanrichtten is vele malen erger. Kwamen ze werkelijk hiernaartoe enkel en alleen omdat Saddam zo'n wrede dictator was en om democratie te brengen? Offerden ze daar hun eigen jongens voor op? Ik geloof er weinig van. Ik kan je verzekeren, ze hebben echt slechte dingen gedaan, heel erg slechte! Ik heb het zelf meegemaakt. Ze kregen het bijvoorbeeld voor elkaar om gevangenen te laten geloven dat wat er in de koffiebekers zat, water was, terwijl er toch echt koffie in zat. Ja, werkelijk waar, op het laatst geloofden die jongens dat echt!

Tja, en nu woon ik hier met mijn lieve vrouw en hebben we een zoon. Ik heb gestudeerd aan de universiteit, net als mijn vrouw overigens, die is ook afgestudeerd in de Engelse taal en letterkunde. Ze heeft les gegeven in het verleden. Ik heb nu mijn winkel en verkoop drank. En ik drink zelf niet eens. Ondertussen ben ik tot rust gekomen en heb de tijd gekregen om na te denken en alles op een rijtje te zetten... Het gevolg is dat ik mijzelf nu steeds meer afvraag wie ik eigenlijk ben.”

0 reacties | reageer

Volgende pagina »

Laatste reisverhalen

Alle reisverhalen

Laatste foto's

Laatste foto's
Laatste foto's
Laatste foto's
Laatste foto's
Laatste foto's

Zambia 1

Laatste reacties

Meer reacties

Blijf op de hoogte!

Laat je e-mail achter en ik stuur je een mailtje als ik een nieuw verhaal of nieuwe foto's op de site heb gezet.

E-mail adres: