Fietsenaar....ergens

Vol gas, gastvrij

Ga toch bidden man! Vraag Allah om een nieuwe truck in plaats van dat barrel van je van voor de revolutie! Mack, Amerikaans nog wel, daar kon je bij de Sjah nog mee aankomen kakken! Je tapijten vliegen toch ook al lang niet meer? Met die roetwolken vergiftig je mij niet alleen maar ook jezelf, je vrienden je familie...iedereen! Of is dit de manier om in het paradijs te komen? Hoestend op een zwarte wolk naar Allah met stof, roet en kanker in je longen. Bah! Viespeuk! En als je dan uitstapt zal je me vast een sigaret aanbieden. En wanneer ik die dan weiger, steek je er zelf doodkalm een op en blaas je de rook zonder er erg ik te hebben recht in mijn gezicht. Idioot! Dat je maar bedankt wordt. Jij wil vroeg dood, ik niet! Je paradijs mag je houden, ik wil het hier en nu.
Een uur geleden heb ik er een zware beklimming door prachtig berglandschap op zitten. Langs sprookjesachtige dorpen met huizen die trapsgewijs tegen de bergwand zijn gebouwd, majestueuze bergen met een rivier ver weg beneden in een peilloze diepte. Zwoegen over wegen die als serpentines naar boven leiden, de warmte en het deels zeer slechte wegdek, laten sporen na. En als je dan daarna nog op stof, lawaai en uitlaatgassen getrakteerd wordt kan het gebeuren dat er minder vriendelijke woorden over je lippen komen. Zeker als je ook nog te horen krijgt waarom al dat verkeer hier rond rijdt. Even verderop bouwen honderden bouwvakkers namelijk aan een nieuwe dam in diezelfde rivier die er eerder nog zo prachtig in de diepte lag. Een megaproject. Het doel? Nee, niet het opwekken van elektriciteit, daar heeft men olie en gas voor in Iran en dat kost bijna niets. Nee het water, daar draait het om. Water dat Esfahan en omstreken nodig heeft. Dorst! Met door de bergen geboorde tunnels leid je eenvoudigweg de rivier om. Het treft alleen slecht dat die rivier nu nog naar Irak stroomt. Het gevolg is dat men daar straks geen of nauwelijks water meer aangevoerd krijgt. Maar met een gammel regime aan de andere kant van de grens, die het vooral druk heeft met ISIS en andere religieus geïnspireerde boeven, kan je wellicht gewoon je gang gaan.
En in dat land fiets ik rond. Het geeft te denken, want hoe zat het ook alweer met dat kernenergieprogramma? Zouden de Amerikanen dan toch gelijk hebben? Zou die bom er echt komen? En al die executies die hier op grote schaal plaatsvinden, het onderdrukken van vrouwen, homo's, christenen en noem maar op. Hoe zat het daar ook alweer mee? Kortom, wat doe ik hier eigenlijk?
De ene na de andere vrachtwagen gaat voorbij. Met zand, cement, stenen en wat al niet meer. De wielen denderen met veel kabaal over de kapot gereden wegen en werpen stof de lucht in. De graafmachines en de schuddende en rammelende grindzeven doen er nog een flinke schep bovenop. De wind stuwt het stof verder omhoog en de hele omgeving verdwijnt in een verstikkende mist. Bij een machine lekt diesel de straat op en geeft het geheel nog een 'fijn' geurtje mee. Het spiegeltje op mijn bril zou je een geschenk van Allah zelf mogen noemen. Ik kan er alles achter mij scherp mee in de gaten houden. Al menigmaal ben ik net op tijd de berm in gevlucht om te kunnen stoppen, mijn hoofd af te wenden en een stuk textiel voor mijn neus te houden. Fijn fietsen dat was gisteren en vanmorgen, nu niet meer. Chagrijn krijgt de overhand.
Maar dan stopt er een auto en de man achter het stuur vraagt waar ik vandaan kom. “Heb je wel genoeg te eten bij je?” vraagt hij. “En te drinken? Hier pak aan brood, tomaten en koud water. Heel belangrijk voor jou.” Verderop stopt een volgende auto. “Ik heb nog thee over van de picknick, kom, even stoppen. Enne, mag ik een foto van je maken? En nog even een selfie. Zo ja, dankjewel! Holland gewonnen hé, vijf één van Spanje haha!” 's Middags wordt ik uitgenodigd om thuis bij een man die mij op straat aanspreekt, te komen lunchen. En passant word ik ook nog geacht van zijn douche gebruik te maken. Voor het eten dien je je te wassen en na een nacht wildkamperen ruik ik vast niet meer zo fris.
Al die oprechte interesses, al die vriendelijke mensen, die zorgen er voor dat Iran een geweldig land is en blijft. Het geeft mij de energie om nog even door te gaan. Bij de bakker hoefde ik mijn brood niet te betalen, de groenteboer gaf mij gratis fruit ondanks dat ik meermalen aandrong tocht echt te willen betalen. In de steden vermaken mensen zich in het park, met tentjes, picknick en waterfietsen in de vijver. Een kleurrijk en vrolijk schouwspel dat een tegenbeeld vormt van de strenge gezichten van Khomeini en Khamenei die op propagandaborden overal in het straatbeeld zichtbaar zijn, vaak naast de voor God en vaderland gestorven helden. Graag leg ik tientallen malen per dag geduldig uit dat ik uit Hollènd, Amsterdam kom, 35 jaar ben en iets met schrijven op websites doe die iets met toerisme en fietsen te maken hebben. De rest kan ik bij gebrek aan Farsi toch niet uitleggen en als ik mijn echte leeftijd noem, gelooft men mij niet. Geen wonder, want met al die viezigheid in dit land wordt je helaas snel oud. Overal rijden oude vieze voertuigen. Mensen van 25 schat ik soms op 40. Om niet al te veel op hen te gaan lijken zal ik daarom niet al te lang meer door blijven fietsen, ik wil graag nog even '35' blijven. In Esfahan is het even afgelopen. Teheran infietsen, die uitdaging laat ik graag aan anderen. Ik pak de bus want ik ben bang dat al dat bidden niet zo helpt zolang de brandstof slechts enkele centen per liter kost en het blijft lonen om dat oude slurpende en vervuilende schroot aan de praat te houden.

0 reacties | reageer

Haider Al Mosawi from Bagdad

“Goodbye my love goodbye, I always will be true...”, de zoete klanken van Demis Roussos zweven door de hotelkamer uit een portable dvd-speler, gevolgd door romantische pianoklanken van wat wel eens Richard Clayderman zou kunnen zijn. Op een bed dat als rekwisiet in een Sisi-film niet zou hebben misstaan, zit een man in een roze overhemd gebogen over een groot vel papier dat hij de hoteljongen laat vasthouden. Met potlood tekent hij er met grote halen een portret op, onderbroken met zo nu en dan een slok uit een fles whisky.

Achter het bed geen muur maar een rotswand van de berg waartegen het hotel is gebouwd. Door een goot klatert een stroompje dat is afgetakt van de waterval verderop. Helaas wordt de romantische sfeer tenietgedaan door de rest van de entourage. De kamer is niet meer dan een vierkant betonnen hok zonder aankleding en is vergeeld ten gevolge van achterstallig onderhoud. “Dit hotel moet beter”, vindt ook Haider Al Mosawi, brillenhandelaar uit Bagdad. Hij gebruikt het hotel als uitvalsbasis om zijn handel in het rijke Koerdistan te kunnen verkopen en als toevluchtsoord voor zijn familie. Voor het gemak huurt hij daarom maar meteen het hele hotel. Mij leverde dat een gratis overnachting op.

“No, not good”, schudt hij afkeurend zijn hoofd en legt zijn potlood opzij. "Yes mister Harry, next time I will make a portrait of you! And tomorrow, I will show you the house of Saddam Hussein. There, I have very important words to say. All Arab people will understand. And then they will know that what they are doing is very very wrong! Yes mister Harry, and when you record this with your camera, you can become a millionaire. My speech will be historical. They will pay you a lot of money for my words. Believe me mister Harry.”

Het Arabische deel van Irak is een langs religieuze lijnen verscheurd land. Het heeft aan de ene kant een sjiitische meerderheid die weinig heeft te vertellen en aan de andere kant een soennitische minderheid die de politieke macht heeft. Beide groepen gunnen elkaar het licht in de ogen niet. En ergens op de achtergrond leven ook nog groepen christenen.

's Morgens laat ik mijn fiets een dag voor wat hij is en rij met mister Mossawi mee in zijn auto vol zonnebrillen naar een van de voormalige onderkomens van Saddam Hoessein, een robuust, hoekig gebouw bovenop een heuvel. Het is in 2003 door de Amerikanen tot ruïne gebombardeerd en omgeven door een nog intact zijnde, kilometers lange betonnen muur. Haider stapt uit zijn auto, instrueert zijn vriend, die hij tot tweede cameraman heeft benoemd en gaat als een volleerd presentator aan het werk. Arabische poëzie oreert hij, zinnen gevuld met melancholie en venijn, afgewisseld met eenvoudig Engels: “This is the history of everybody killing his people. Like Hitler, like Mussolini, like Saddam Hussein. This is the house of Saddam Hussein...” In gedachten zie ik hem denken aan duizenden verblufte televisiekijkers tot het moment dat hij opkijkt en zijn omgeving weer even gewaar wordt. “Mister Harry, maybe your friends don't believe this is the house of Saddam Hussein”, om daarna weer verder te gaan in dramatisch klinkend Arabisch.

Voor mij staat Haider Al Mosawi, brillenhandelaar uit Bagdad, die een poging doet om met een toespraak de situatie in zijn land rigoureus te veranderen. Ik vraag me af hoe het is gesteld met mijn journalistieke intuïtie. Mis ik hier een belangrijk moment en moet ik morgen direct Al Jazeera bellen? Of heb ik te maken met een verwarde man?

Mister Mosawi geeft zelf al het antwoord, hij sluit zijn korte betoog met het noemen van de telefoonnummers waarop men hem kan bellen. Hakkelend en haperend. Uit zijn binnenzak vist hij een pen, zoekt tegen beter weten in naar de cijfers op zijn spiekbriefje en knijpt krampachtig zijn ogen toe. De allerlaatste steun voor zijn geheugen waar de alcohol een gat in lijkt te hebben gevreten. Mijn twijfel maakt plaats voor medelijden, die zich direct vermengt met respect voor deze toch wel bijzondere man. Met zijn bevlogenheid toont hij mij zijn land dat verderop, achter de grenzen van de Koerdische regio ligt. Het gebied waar de erfenis van Saddam de mensen figuurlijk blind en kreupel heeft geslagen. En ik besef meer dan ooit hoe verstandig het was om de afslag naar Bagdad en Mosul voorbij te fietsen. Mensen zoals hij zullen er niet veel zijn. Zijn beste vrienden zijn christen, de hoteljongen die hij speciaal heeft ingehuurd, is het en hijzelf, hij is moslim. Bij zoveel andere mensen in dit land is een dergelijke verbroedering ver te zoeken. De verschillende bevolkingsgroepen wonen hier in het welvarende en vreedzame Koerdische noorden van Irak al in aparte dorpen. Het laat zich raden hoe het in het Arabische deel zal zijn. Nee, het leven in een door oorlog verscheurd land is beslist niet makkelijk.

Wanneer we 's avonds weer terug in het hotel zijn en ik hem de opname laat terugzien, spreekt hij de woorden letterlijk mee; de gedichten kent hij uit zijn hoofd. Dan gaat de telefoon. Het gesprek in het Arabisch dat volgt, is kort. Haider schenkt zichzelf een zoveelste glas bier in en roept dan opgetogen uit: “De ministers zijn hier in het dorp vlakbij. En de televisie komt ook. Ze gaan mij interviewen!”

Zie ook: https://vimeo.com/100450852

1 reactie | reageer

The will to live!

"Tonight's the world has gone mad”, it is the title of a book by the much too young died Karel Glastra van Loon. In it he wrote: "Actually, you see nothing special when someone is hit by a bullet. For example, you see this. A man on a bicycle. He rides very quietly, in a nice straight line. Next to him passes an open army truck. The truck is filled with several dozens of soldiers. Young boys, still children. They wear helmets and machine guns. Some are having a gun in their hand. With that gun they shoot occasionally in the air. Or on a casual passer. The gun sounds. The cyclist starts swinging. He brings a hand to his head. Then he tumbles to the asphalt, a heap of human flesh in summer clothes, between steely chrome, black tubes and a revolving wheel. "

It is that image that I'm having in my mind several times now since I cycle through the north of Iraq, or better said through Kurdistan. The Kurds have been for centuries the greatest nation in the world without an own country. They live in large parts of Turkey, Iran, Syria and Iraq. The three northern provinces of Iraq where the Kurds live, got autonomy after the invasion of the Americans. Finaly recognition at after years of oppression.

And I think back to 25 years ago, when a friend asked me to go cycling to Switzerland. Switzerland? That's very far away, an major undertaking. That's how I thought about it then. Along the way you have to speak German. Do I can? I succeeded and and it was a first step to start to explore more. I learned that wherever you go, everywhere very normal people are living. Just like you and me, but each with its own language, traditions and habbits. Even in countries that are still being defined by some people as monkey countries, I found out that it is that way. You push your self towards new limits and learn to know the world. Almost everywhere you're welcome.

The last obstacle that is keeping me from visiting a country is war. To move yourself in between is asking for trouble. Though? Is that true? What is war anyway? How does it feel when you're in the middle? Is there anything to be noticed of that, now I cycle through Kurdistan Iraq? Or is it as Karel Glastra van Loon describes just suddenly there?

The Kurds in northern Iraq are very happy with their acquired autonomy. Proudly they speak of Kurdistan. Iraq has become a sideshow, a mess that's no longer to be taken seriously, where Arabs fighting with each other till the very end. Kurdish flags waving everywhere, along with those of various political parties: decorated trees, buildings and lampposts with flags in yellow, green and blue. The region has a good government and a living democracy. Everywhere you go you can taste the enthusiasm and a lust for live. People return are after years of exile to their homeland and are helping to rebuild the country. With unprecedented success. The traffic jam of thousands of trucks at the border with Turkey speaks as thousand words. And that without an own banking system. Anywhere you go you pay with the weak Iraqi Dinars. Okay, there are petrol dollars behind it, but ATMs are nowhere to be found.

The most thats speaks to my imagination is my encounter with a man. Six years he lived in the Netherlands and Belgium. Two from that in Ter Apel in the centre for asylum seekers. I met him in his shop. As he calculate the shoppings of his customers, he says, "You have a saying in the Netherlands do you? East west, home is best! Ha, that's it for me! It is hard work and at the end of the day I'm tired, but that's okay. Come with me, I have to help my brother".  Behind the shop there's a room under construction. On a small scaffold works his brother. He's plastering the walls with cement. "I help him in between here, otherwise he must climb the scaffold up and down all the time." With a shovel the shopkeeper fills the tub on the dock again and than he runs straight back to his shop to help the next clients. When I step back on my bike, he runs with me outside, leaves his shop again for what it is and climbs on a tractor. “Job number three?" I ask him. But in the engine noise my words disappear, he's not hearing me anymore. With a big grin he waves me goodbye.

In such a country war seems very far away. And yet I ask myself every time again: maybe I do mis interpret the situation? Might I later be the man on that bicycle? Can there be a moment that an army truck passes by and will I lie afterwards on the road next to a rotating front wheel? As the crow flies, I cycle less than fifteen kilometers from Mosul and also on the Kirkuk road going in the direction of Sulaymaniyah.

And then suddenly an army truck with soldiers stops, as suddenly out of nowhere, the first military vehicle that I encounter, when the border with Iran is already getting pretty close. Rough men jump off in dark green uniforms, armed with machine guns. "Passport" shouts a thick Saddam lookalike with big black mustache. The men are members of the independent Kurdish army, their emblems made that clear. Once they have understood that there is little to fear from me, they want me to join them for a photograph. A crazy fool on a bike is welcome here. When they are leaving, they wave me goodbye enthusiastically. It is an incident that I could easily make bigger than it is. I could tell at home with bravado: Look what is happening here on the streets! In reality, it's nothing compared to what I went through the rest of the time. In the Netherlands also ride military trucks.

Before I left home, I read in the newspaper about a deadly shooting incident in the north of Amsterdam, the place where I grew up. I have not noticed anything, and also my mother didn't, while she still lives there. And so it's here too. Although the scale at which incidents takes place, is different off course. At the other hand, the population over here knows very well what war is. Saddam, poison gas, bombing, all of them has experienced it in the firsthand. And in everything you feel that this is the very, very last thing wich anyone still wants. The problems are in Iraq. Kurdistan is a country that wants to live!

--------

'Vannacht is de wereld gek geworden', het is de titel van van een boek van de veel te jong overleden Karel Glastra van Loon. Hierin schreef hij: 'Eigenlijk zie je niets bijzonders als iemand door een kogel wordt getroffen. Je ziet bijvoorbeeld dit. Een man op een fiets. Hij rijdt heel rustig, heel bedaard, in een mooie rechte lijn. Langs hem raast een legertruck met een open laadbak. De open laadbak is gevuld met enkele tientallen soldaten. Jonge jongens, kinderen nog. Ze dragen helmen en machinegeweren. Enkele hebben een pistool in de hand. Met dat pistool schieten ze af en toe in de lucht. Of op een toevallige voorbijganger. Het schot klinkt. De fietser begint te slingeren. Hij brengt een hand naar zijn hoofd. Dan tuimelt hij tegen het asfalt, een hoopje mensenvlees in zomerkleren, tussen blikkerend chroom, zwarte stangen en een ronddraaiend voorwiel.'

Het is dat beeld dat mij meermalen voor ogen staat nu ik door het noorden van Irak fiets, of beter gezegd: Koerdistan. De Koerden zijn al eeuwen lang het grootste volk ter wereld zonder eigen land. Ze wonen in grote delen van Turkije, Iran, Syrië en Irak. De drie noordelijke provincies van Irak waar voornamelijk Koerden wonen hebben na de inval van de Amerikanen zelfbestuur gekregen. Eindelijk erkenning na jaren van onderdrukking.

En ik denk terug aan 25 jaar geleden toen een vriend mij vroeg mee naar Zwitserland te gaan fietsen. Zwitserland? Dat is toch wel erg ver weg, een hele onderneming. Vond ik toen. Onderweg moet je Duits praten. Kan ik ik dat wel? Het lukte en het bleek een eerste aanzet tot het verkennen van meer. Ik kwam erachter dat waar je ook gaat, overal heel normale mensen blijken te wonen. Net als jij en ik maar ieder met zijn eigen taal, tradities en gewoonten. Zelfs in landen die nu nog steeds door sommigen als apenlanden worden omschreven, bleek dat zo te zijn. Je verlegt je grenzen en maakt kennis met de wereld. Vrijwel overal blijk je welkom te zijn.

Het laatste obstakel dat mij weerhoud om een land te bezoeken is oorlog. Je daartussen beven is vragen om moeilijkheden. Hoewel? Is dat wel zo? Wat is oorlog eigenlijk? Hoe voelt het als je er middenin zit? Zou nu ik door Koerdistan Irak fiets, er iets van te merken zijn? Of kan het zoals Karel Glastra van Loon beschrijft opeens zomaar aanwezig zijn?

De Koerden in Noord Irak zijn waanzinnig bij met hun verkregen zelfbestuur. Trots spreekt men van Koerdistan. Irak is bijzaak geworden, een niet meer serieus te nemen puinhoop waar Arabieren elkaar naar het leven staan. Overal wapperen Koerdische vlaggen, naast die van diverse politieke partijen: gepavoiseerde bomen, gebouwen en lantarenpalen met vlaggetjes in geel, groen en blauw. Men heeft een goede regering en de democratie leeft. Aan alles proef je het enthousiasme en de levenslust. Mensen zijn na jaren van ballingschap teruggekeerd naar hun geboortegrond en helpen mee om het land weer op te bouwen. Met ongekend succes. De file van duizenden vrachtwagens aan de grens met Turkije spreekt boekdelen. En dat zonder er een eigen bancair systeem op na te houden, overal betaal je met slappe Iraakse Dinars. Oké, er zitten oliedollars achter maar pinautomaten zijn nergens te bekennen.

Het meest tot de verbeelding sprekend is nog mijn ontmoeting met een man. Zes jaar verbleef hij in Nederland en België waarvan twee jaar in Ter Apel in het AZC. Ik ontmoet hem in zijn winkel. Terwijl hij de boodschappen van zijn klanten afrekent zegt hij: “Jullie hebben in Nederland een spreekwoord hè? Oost west, thuis best! Ha, zo is het voor mij! Het is hard werken en 's avonds ben ik moe maar dat is niet erg. Kom even mee, ik moet ook mijn broer helpen...” Achter de winkel tref ik een ruimte in aanbouw. Op een kleine steiger staat zijn broer. Hij stuukt de muren met cement. “Ik help hem tussendoor even, anders moet hij steeds de steiger op en af.” Met een schep schept de winkelman de bak op de steiger weer vol en rent direct weer terug naar zijn winkel om de volgende klanten te helpen. Wanneer ik weer op mijn fiets stap, loopt hij met mee naar buiten, laat zijn winkel opnieuw voor wat het het is en klimt op een tractor. ?Baan nummer drie?” vraag ik hem nog. Maar het motorgeraas overstemt mijn woorden, hij hoort me niet meer. Met een grote grijns zwaait hij mij tot ziens.

In zo'n land lijkt oorlog heel erg ver weg. En toch vraag ik mij telkens weer af: Maak ik er misschien een verkeerde voorstelling van? Ben ik misschien straks die man op die fiets? Kan er zo dadelijk zomaar een legertruck langs komen rijden en lig ik dan op de grond naast een ronddraaiend voorwiel? Hemelsbreed fiets ik op nog geen vijfentwintig kilometer van Mosul vandaan en later ook richting Sulaymaniyah over de weg die vanuit Kirkuk komt.

En dan stopt er een legertruck met soldaten, zomaar opeens vanuit het niets, het allereerste militaire voertuig dat ik tegenkom, op het moment dat de grens met Iran al aardig in de buurt begint te komen. Ruwe mannen springen er af, in donkergroene uniformen, bewapend met machinegeweren. "Paspoort!" brult een dikke Saddam lookalike met grote zwarte snor. De mannen zijn aan hun emblemen te zien van het onafhankelijke Koerdische leger. Nadat ze begrepen hebben dat er van mij weinig te vrezen valt willen ze met me op de foto. Een gek op een fiets is hier welkom. Bij het afscheid zwaaien ze mij enthousiast tot ziens. Het is een incident dat ik onder een vergrootglas zou kunnen leggen en waarover ik met bravoure thuis zou kunnen vertellen: Kijk eens wat daar allemaal gebeurt op straat! In werkelijkheid valt het voor mij in het niets in vergelijking wat ik de rest van de tijd meemaakte. In Nederland rijden ook militairen in trucks.

Voordat ik van huis vertrok las ik in de krant over een dodelijke schietpartij in Amsterdam Noord, de plaats waar ik opgroeide. Ik heb er niets van gemerkt en ook mijn moeder die er nog steeds woont niet. En zo is het hier ook. Al is de schaal waarop een en ander gebeurt natuurlijk wel even anders. Daar staat dan weer tegenover dat de bevolking hier wel heel erg goed weet wat oorlog is. Saddam, gifgas, bombardementen, men heeft het allemaal aan den lijve ondervonden. En aan alles voel je dat dit het aller, allerlaatste is waar men nu nog behoefte aan heeft. De problemen zijn in Irak. Koerdistan is een land dat wil leven!

0 reacties | reageer

Oorlogsveteraan in Amedi

“Een verhaal in je hoofd prenten en het op elk moment paraat hebben, dag en nacht, om aan te kunnen tonen waar je geweest bent op wel uur en op welke dag. Zo heb ik kunnen overleven. Je vertelde ze bijvoorbeeld dat je gisteren in Syrië zat voor handel en vandaag pas aangekomen bent. Dat soort dingen. Oorlog is liegen en bedriegen, een heel erg vuil spelletje.

 

Ik woon hier nu anderhalf jaar, in het huis van mijn schoonouders. Ik ben christen en kom uit Bagdad, daar is het nog steeds een puinhoop. Hier is het rustig. Jarenlang heb ik in het leger gediend, als tolk.

En ik begrijp het ook niet. Saddam vermoordde duizenden Koerden. Wat de Amerikanen aanrichtten is vele malen erger. Kwamen ze werkelijk hiernaartoe enkel en alleen omdat Saddam zo'n wrede dictator was en om democratie te brengen? Offerden ze daar hun eigen jongens voor op? Ik geloof er weinig van. Ik kan je verzekeren, ze hebben echt slechte dingen gedaan, heel erg slechte! Ik heb het zelf meegemaakt. Ze kregen het bijvoorbeeld voor elkaar om gevangenen te laten geloven dat wat er in de koffiebekers zat, water was, terwijl er toch echt koffie in zat. Ja, werkelijk waar, op het laatst geloofden die jongens dat echt!

Tja, en nu woon ik hier met mijn lieve vrouw en hebben we een zoon. Ik heb gestudeerd aan de universiteit, net als mijn vrouw overigens, die is ook afgestudeerd in de Engelse taal en letterkunde. Ze heeft les gegeven in het verleden. Ik heb nu mijn winkel en verkoop drank. En ik drink zelf niet eens. Ondertussen ben ik tot rust gekomen en heb de tijd gekregen om na te denken en alles op een rijtje te zetten... Het gevolg is dat ik mijzelf nu steeds meer afvraag wie ik eigenlijk ben.”

0 reacties | reageer

Grensverkeer

Op dit blog heb ik het er al vaker over gehad: grenzen oversteken. Op de een of andere manier blijft dat een van de boeienste gebeurtenissen tijdens een reis. Als fietsreiziger ben ik op zoek naar het onbekende en de verschillen tussen landen, steden, dorpen en gebieden. Bij het oversteken van grenzen zijn de veranderingen vaak het duidelijkst waarneembaar. Men heeft aan de andere zijde meestal een andere taal en cultuur en houdt er andere gewoonten op na. En als je een conflictgebied nadert wordt het alleen maar spannender.

Wat heel vaak op gaat is dat de verkeersdrukte afneemt naarmate je dichter bij een grens komt. Immers, wat zou je bij de buurman te zoeken hebben als je het thuis naar je zin hebt en de autoriteiten je niet zomaar zonder formaliteitenrompslomp binnen laten. In Syrië is het oorlog, en dat is natuurlijk nog een grotere reden om het land te mijden. Voor de Syriërs zou het omgekeerd evenredig kunnen zijn. In ieder geval, nu ik door Turkije pal langs de Syrische grens fiets ben ik erg benieuwd of er iets van de oorlog te merken is. Stromen vluchtelingen? Zenuwachtige militairen?

Turkije bewaakt zijn grens goed. Ongeveer om de 250 meter staat een wachttoren al dan niet met een of meerdere militairen erin. Een dubbele rij prikkeldraad doet de rest. Nusaybin is een van de weinige grotere plaatsen die pal aan de grens ligt en bovendien vlak naast het Syrische Al Quamichli, een kleine stad met een vliegveld ernaast. Aan de rand van Nusaybin is het niet veel anders dan langs de snelweg. Kilometers prikkeldraad, wachttorens en grasland scheiden de stad van de Syrische buur. Het land achter het hek is zwartgeblakerd, het leger heeft duidelijk de beschikking over andere apparatuur dan maaimachines. Langs het hek zit een stel mannen vreedzaam thee te drinken op krukjes in de schaduw van de bomen. Een ritueel zoals zich dat in ieder Turks dorp afspeelt. Kinderen rijden rondjes op fietsen. Wat er verderop gebeurt lijkt niemand iets te deren. Het hek staat er waarschijnlijk al hun hele leven, ze weten niet beter. De mensen die ik er spreek zeggen dat het rustig is aan de andere kant. Van een afstand is er van oorlog en of sporen daarvan niets te zien. Dit deel van Syrië is een uithoek, ver weg van Homs, Aleppo en Damascus. Er werken vrouwen op het land en er grazen enkele koeien op de velden naast de bebouwing. De enige straat die Nusaybin met Al Quamichli verbindt is afgesloten, het hek is dicht. Militairen zijn er niet te bekennen. Al met al niet bepaald het beeld dat mij vooraf voor ogen stond. Geen cameraploeg met Jan Eikelenboom in kogelvrij vest, geen luchtafweergeschut, geen Nederlandse militairen met Patriots in de aanslag en geen tanks en ander kanonnenspul in de straten. De enige pantserwagen die ik tegenkom in het verkeer is er een van de politie. De nauwelijks weggepoetste verfspetters en de lakschade duiden meer op Koerdisch protest dan op Syrische oorlogshandelingen.

Verderop, net buiten Nusaybin is er wel een officiële grensovergang die in bedrijf is. Die staat niet op mijn kaart. Erg spannend is het hier ook niet. De douanepost is vrijwel hetzelfde als overal: loketten en een afdak als van een wat groot uitgevallen tankstation. Even dieper het land in, ligt de vergelijkbare voorziening van de Syrische buurman. De meeste doorgangen zijn afgesloten maar niet allemaal. Een beambte ijsbeert wat heen en weer. Zo nu en dan gaat er en Turkse bestelauto de andere kant op. Lokaal handelsverkeer op kleine schaal vindt nog steeds plaats. Even overweeg ik om ook de oversteek te wagen en voor een dag in Syrië te gaan kijken. Maar ik heb een aantal mensen beloofd dat niet te zullen doen en het kost ook nog eens een nieuw Turks Visum. Bovendien, Irak bezoeken is al spannend genoeg. Hoewel? Misschien toch ook helemaal niet?

Anders is de grensovergang er in ieder geval wel. Naarmate ik het voor mij nog onbekende land nader, des te drukker lijkt het te worden. Talloze vrachtwagens gaan voorbij. Van ulta moderne Mercedessen, Scania's en wat al niet meer tot oude lange tijd geleden afgeschreven doorgezakte barrels. Zakken cement, constructiestaal, rollen kabels, rioleringsbuizen, lange bundels betonijzer, kozijnprofielen, levensmiddelen en wat al niet meer gaat er richting Irak. Aan de grens vormen zij een kilometers lange file. Vanuit Irak rijden er vooral tankwagens Turkije in. Het industrieland versus de oliebaron. Hier vindt big business plaats waar miljarden mee gemoeid moeten zijn. Ook de plaatselijke economie doet op bescheiden schaal mee. Silopi, de laatste stad voor de grensovergang heeft een autobandeneconomie. Het ene na het andere kleine bedrijfje laat het geratel van luchtsleutels horen. Oude banden verdwijnen op grote stapels. De eerder onderweg afgevallen delen bezorgden mij al de nodige lekke banden. Zelfs het grootste anti-lekwonder op je fiets zal niet bestand zijn tegen de venijnige staaldraden die uit de rubberdelen te voorschijn komen. Dat prikt dwars door alles heen.

Bij de Turkse grensovergang is gemoedelijkheid troef. De beambte die mijn paspoort controleert is blij verrast een fietsreiziger te zien en nodigt mij spontaan uit om in zijn cabine thee te komen drinken. En passant legt hij de werking van de paspoortscanner uit. Wanneer er een gezocht persoon opduikt gaan de alarmbellen af. Dat gebeurt eigenlijk nooit. Vroeger zat hij op het vliegveld van Antalya, daar gebeurde tenminste nog eens wat. “Hier is het wel een beetje saai”, vindt hij.

Reizen is je laten verrassen en ook deze keer komt dat weer uit. Op naar Irak, vijftien dagen de tijd krijg ik om de Koerdische autonome gebieden te bezoeken. Het zou er veilig moeten zijn zegt men. Maar of alles wat voorspeld is ook uitkomt...?

0 reacties | reageer

Stilstaande klok

In het Sultan Sofrasi-restaurant in Mardin, zit de kassier achter zijn desk. Met zijn lange warrige baard en zijn islamitische hoofddeksel straalt hij een aan fanatisme grenzende vastberadenheid uit. Naast hem een telefoon, een ouderwets zwart exemplaar met kiesschijf die daar tot mijn verbazing niet enkel voor de sier blijkt te staan maar het nog blijkt te doen ook. De klok aan de muur staat stil, eronder staan in gouden Arabische krullen, teksten uit de Koran. Wellicht zijn het mijn vooroordelen maar toch... Vrijwel gelijktijdig met de oproep voor het avondgebed verdwijnt hij de schemering in. Op weg naar de moskee om daar aan zijn islamitische plicht te voldoen? Het laat zich raden.

Mijn hotel bevindt zich pal tegenover het restaurant. Hotel is een wat overdreven benaming. De kamers zijn niet meer dan roze gesauste hokken met bedden erin. De televisie is met plakband gerepareerd en ook hier staat de klok aan aan de muur stil. Net als in het restaurant een klok met  een tekst uit de Koran eronder. Het wachtwoord van de wifi is 'islam111'. Het geeft te denken.

Ondanks dat Mardin lang niet volledig uit Koerden bestaat maar ook uit Arabieren christenen en Turken, staat de stad wel bekend als een bolwerk van de PKK, het Koerdisch verzet tegen het rigide opererende Turkse regime. Atatürk had tijdens zijn revolutie in de jaren twintig van de vorige eeuw, een Turkije voor ogen dat eenheid uitstraalt. Iedereen diende Turks te spreken, Turk, Koerd of wat dan ook. Tot op de dag van vandaag zijn zijn ideeën voor veel Turken heilig. Maar een bevolkingsgroep zijn eeuwenoude taal en tradities afnemen is vragen om moeilijkheden.

Mardin is langs een berg gebouwd en bovenop staat een oud kasteel. Het toerisme is na de wapenstilstand tussen regering en PKK, langzaam in opkomst. Mardin met zijn eeuwenoude gebouwen en architectuur heeft heel veel te bieden. Bezoeken van het kasteel is nog steeds niet mogelijk. Vanwege restauratiewerkzaamheden, volgens de toeristeninformatie. Het prikkeldraad en de waarschuwingen rondom laten zien dat dit toch net iets anders ligt. Het is nog steeds een militaire post die volop in gebruik is. Een post vanwaar men alles en iedereen in de gaten kan houden. De uitdagend wapperende kolossale Turkse vlag een een portret van Atatürk in Neon onderstrepen eens te meer dat dit hier Turkije is en niets anders. De hotelman, een vriendelijke Koerd, verklaart vastberaden: “over een paar jaar is dit Koerdistan, nog even geduld”. De meeste kinderen leren nog steeds enkel Turks op school. Koerdisch leren is sinds enkele jaren wel toegestaan maar alleen toegankelijk voor mensen die de dure privéscholen kunnen betalen.
Tegelijkertijd vraag ik mij af of het niet beter is je leven enkel te laten bepalen door de cultuur van je ouders, grootouders en alles daarvoor. Waarom niet vrij en blij het leven in stappen met maling aan alles en iedereen? Wat maakt het uit welke taal je spreekt en welke religie je aanhangt, als  überhaupt al voor een religie wíl kiezen?

Ik poch er graag mee dat reizen je blik verruimd en dat mensen in andere culturen ontmoeten zo waardevol is. Mijn eigen land is mijn huis samen met mijn beperkte erfje rondom. Daarbuiten begint de wereld. Toch vraag ik mij zo nu en dan af of ik zelf ook niet vastgeroest ben in mijn ideeën en gewoonten. Jaar na jaar ga ik op de fiets. Dat stalen kreng waar je aan het eind van de dag doodmoe vanaf stapt na ongemerkt van alles en nog wat voorbij te zijn gereden wat best wel eens interessant en waardevol geweest had kunnen zijn. Mesapotamië ligt aan mijn voeten, het gebied tussen de Eufraat en de Tigris, met een eeuwenoude historie waarvan feiten bekend zijn die dateren  tot ver voor het begin van onze jaartelling. Tot op de dag van vandaag beheerst het ons leven. De 360 graden verdeling van een cirkel en de zestig minuten indeling van onze klok komen er bijvoorbeeld vandaan. Maar wat weet ik er verder vanaf? Het landschap glijdt straks weer aan mij voorbij, ik zwaai de mensen vriendelijk goedendag en dat was het dan wel weer? Ach, niets menselijks is mij vreemd en mijn capaciteiten zijn beperkt. Ik had ooit een chef die heel terecht zij: “We kunnen niet allemaal Johan Cruijff zijn,” laat staan Jezus Christus, Dalai Lama of Mahatma Ghandi.


Al met al besluit ik daarom toch nog maar even door te gaan. Mijn klok laat ik lopen totdat het niet meer gaat en de kiesschijven van dat stalen kreng stuur ik naar gebieden die ik nog nog niet ken. Alles beter dan vanachter een desk met een warrige baard je vast te klampen aan een bakelieten apparaat en Koranteksten onder een stilstaande klok.

0 reacties | reageer

Zwerfhond

“Moet je kijken, haha, hoe je daar in die grot staat! Het lijkt wel alsof je het helemaal niet leuk vond.”
“Jawel, hihi, maar wat was was laag daar, ik moest heel diep bukken en ging verdorie bijna onderuit! Jij bent er niet eens in geweest.”
“O en deze foto, moet je nou eens zien, dat was tijdens het feest voordat we hier naartoe vertrokken. Haha, met Ali en Nilgün, jeetje wat was dat gezellig hè.¨
“O ja, ober, doe mij maar een bier en wat wil jij schat?”
“Hmm... ik wil wel wat eten, doe mij maar de spaghetti... Je gaat me toch niet vertellen dat jij met Ali die hele fles Raki heb leeggedronken?”
“Uhh...haha, jawel maar daar hebben we wel de hele avond over gedaan hoor. En jij dan wat had jij dan wel niet gedronken, bij die fles rum kwam anders de bodem ook aardig in het zicht.”
“Jawel maar dat dronken we verdund met cola hihi.”


Göreme, een toeristengat in Cappadocië, het hart van de wonderlijk door de natuur gevormde grotwoningen. Aan de tafel van een eenvoudig eethuis zitten een Turkse man en een vrouw van naar schatting een jaar of dertig gezellig met elkaar te kletsen en op een smartphone foto's te bekijken. De man drinkt bier en rookt de een na de andere sigaret. Zijn vrouw eet spaghetti. Ze hebben plezier.


“He schat die man daar naast ons is alleen. Zou ie het naar z'n zin hebben? Hmm, ik denk zomaar dat ie uit Duitsland komt of... Nederland?”


“Ah, maar moet je nu eens kijken, ach wat een lieve schat! Ah, hee joh, hee kom eens hier. Oh, wat een gezellige blonde lobbes! Is ie van hier? Maar jeetje wat is ie mager. Misschien lust ie wel spaghetti? Ik zou hem zo mee naar huis nemen. Hee, ja joh, eet maar kom maar. Hee, kom! Hmm, hij mot het niet. En ik heb eigenlijk wel genoeg. Nou ja, nog een paar happen. Ik ga zo even shoppen, ze hebben zulke leuke tassen in Ürgüp verderop. Ik zag het vanmiddag en moet er toch echt nog even langs hoor. Jij blijft zeker wel even hier hè.”


De Golden Retriever, kijkt verlekkerd naar wat er allemaal op tafel staat. Met een van zijn grote achterpoten krabt hij zo nu en dan de vlooien uit zijn groezelige warrige vacht weg.
De vrouw neemt afscheid, stapt in een auto en vertrekt. De man blijft alleen achter bestelt nog een bier en steekt een volgende sigaret aan.


“ Hmm, die vent naast mij. Vast een aardige gozer. Toch wel een beetje mager. Haha, lijkt wel een beetje op die hond. Ah weet je...”


“...Ober, de hond lustte geen spaghetti maar weet je... ik betaal de rekening wel van die aardige man daar aan het tafeltje naast me. Vast ook een eenzame zwerver.”

0 reacties | reageer

De gang naar Rusland

There's no destination
No holy land
No Eldorado
Just a grain of sand
There's no salvation
No spring at Lourdes
No secret mantras
No super cure


Gaszpacho - Demon (2014)


Pestgedrag aan de grens in Oekraïne


Een klootzak is het! Een zielenpoot, iemand die in een oorlog als domme meeloper op commando de meest gruwelijke misdaden zou kunnen plegen. Gepest op school waarschijnlijk, vroeger door zijn klasgenoten. De etters! In twee rijen stonden ze langs de kant van de gang. De eerste gaf hem een duw naar links, de lachende groepsgenoot aan de ander kant gaf hem weer een duw terug naar rechts, waarna nummer drie, opnieuw gierend van de pret, de volgende vernederende douw gaf. Tot hij struikelend en kruipend, jankend het einde van de gang bereikt had. Ja, zo stel ik het me voor, zoals ik hem daar zie staan op z'n legerkisten, een hand in de zak, in de andere een sigaret, starend in het niets. 


Daarnet kwam ik hem voor de eerste maal tegen, vijf kilometer voor de grens met Rusland. Hij deed zijn boodschappen bij het plaatselijke winkeltje annex café, op zijn rammelende fiets met veel te zachte banden. Van het laatste muntgeld kocht ik een kop thee, hij een brood, sigaretten en en stuk worst. Zwijgend staarde hij me aan. Het opschrift 'Border Guard', op zijn camouflagepak had kunnen duiden op het spreken van een paar woorden Engels. Niets bleek minder waar. Ontkennend schudde hij zijn hoofd en zei niets, helemaal niets. 


Het was als een duveltje uit een doosje, een kilometer verderop stond hij opeens weer voor me. Zijn fiets had hij verruild voor een oude blauwe Lada die hij met slippende banden in het gruis van de berm tot stilstand liet komen. “Problems?” vroeg ik. Maar vragen beantwoorden behoorde niet tot zijn opdracht. “Pasport,” was het enkele woord dat hij over zijn lippen wist te brengen. Ik overhandigde hem mijn document. Moeizaam schreef hij de details in een boekje met het opschrift 'diary'. Na het voeren van een kort telefoongesprek met naar alle waarschijnlijkheid zijn meerdere, gebaarde hij me door te rijden. 


Natuurlijk had ik vooraf op internet kunnen zoeken. Dan had ik vast geweten dat het niet mogelijk is om hier de grens over te gaan. Oekraïne staat bekend als een land waar starre regels en bureaucratie de vooruitgang in de weg staan. Ik heb het eerder aan den lijve ondervonden. Vijf jaar geleden was het dat ik voor twintig meter moest liften om vanuit Polen het land binnen te mogen. Op de fiets passeren mocht niet, lopend ook niet. Maar samen met mijn fiets in een auto, dat mocht wel. Daarbovenop kreeg ik niet meer dan vijf dagen de tijd om het land weer te verlaten, enkel en alleen omdat ik vertelde naar het even verderop gelegen Roemenië op weg te zijn. Na vier dagen fietsen koos ik ook nog eens een verkeerde grenspost uit, net zoals nu, alleen bestemd voor locals. Ik had dus beter kunnen weten, toch heb ik het niet gedaan. Vijf jaar en een Europees kampioenschap voetbal moeten toch wel voor veranderingen hebben gezorgd? En daarbij, de weg rechtstreeks naar Bryansk stond mij niet aan. Daar rijdt het vrachtverkeer van en naar Kiev. Deze zestig kilometer westelijker gelegen overgang biedt me de mogelijkheid dit te ontwijken. Klein zag de grenspost er op de kaart niet uit, het is een hoofdverkeersweg die ernaartoe leidt vanuit een stad, niet vanuit een dorp zoals vijf jaar geleden. Ondanks dat hield ik ergens in mijn achterhoofd er wel rekening mee dat ik er misschien niet over zou mogen. Met het idee dat een kleine omweg geen straf is, ging ik er op af. De nieuwsgierigheid, om mee te maken hoe grenswachten tegenwoordig te werk gaan in dit land, maakt onderdeel uit van mijn manier van reizen. Op de fiets voel ik me vrij en heeft er zich een zekere mate van anarchie van mij meester gemaakt. Ik wil hier de grens over en ga mij maar eens vertellen waarom dat niet mag! Een kleine grensovergang is het ook inderdaad niet, mijn inschatting was zo slecht nog niet. Alle voorzieningen zijn aanwezig. Een kantoor met loketten onder een afdak, computerapparatuur en ijsberende beambten. Een stereotype grenspost. Toch mogen er enkel Oekraïners en Russen passeren. 


Hier bij de grens trof ik hem voor de derde maal. Zijn collega, gestoken in een blauw uniform en platte pet controleerde opnieuw mijn paspoort en maakte duidelijk dat ik niet mocht passeren. “Hij stuurde me door”, probeerde ik nog. Maar het hielp niet. 'Border Guard' nam een haal van zijn sigaret en staarde wezenloos voor zich uit. Zes kilometer terug rijden en dan de weg linksaf slaan, dat zou de de enige optie zijn. 


Het verkeer was rustig, slechts af en toe passeerde er een auto. Tot mijn verrassing trof ik bij de afslag 'Border Guard' voor de vierde keer. Opnieuw in zijn donkerblauwe Lada. Terug, gebaarde hij. Documenten, dat is alles wat ik op kon maken uit zijn schaarse woorden. Men had een en ander geregeld om alsnog de grens te kunnen passeren? Hoopvol keerde ik om. Ik had geen smeergeld betaald. Was men tot inkeer gekomen? 


Het is een andere platte pet die me meeneemt naar het kantoor en me gebaart te gaan zitten. Uit de instructies die hij zijn collega's geeft maak ik op dat het de chef moet zijn. “Sorry, bjurokratija”, zegt hij op verontschuldigende toon en biedt me een glas mineraalwater aan. “Dokumentatsija...” Zuchtend wist hij het het zweet van zijn voorhoofd en begint te schrijven. “Waakenar, Henrikoes? Wakenar...ehh, Wakenaar!” Na vijf minuten volgt formulier nummer twee, ingeleid door obscene gesticulaties die duidelijk maken dat deze, fuck-bureaucratie van boven op is gelegd en dat hij helaas, helaas, de regels moet volgen. Het zou toneelspel kunnen zijn. Wanneer hij beide formulieren ingevuld heeft duwt hij ze samen met een pen onder mijn neus. Voor een handtekening! “Dat dacht ik even niet!” bries ik. Met een diepe zucht slaat de man zijn handen wanhopig tegen het hoofd, herschikt zijn pet op zijn onberispelijk geknipte stekelhaar en pakt zijn mobiele telefoon. Een klassieke Nokia waaruit een schreeuwerig, slecht Duits sprekende stem mij toeblaft: “Je mag hier de grens niet over, dat kan alleen zestig kilometer oostelijker”. “Jou collega heeft net documenten in zitten vullen! Ik ben speciaal terug gekomen!” bijt ik hem toe. “Ik ben hier nu voor de tweede keer! Daar was twaalf kilometer fietsen voor nodig ja! Die Border Guard van jullie had me meteen al naar de afslag kunnen verwijzen, zo moeilijk is het niet om stop te zeggen en op mijn kaart de goede overgang aan te wijzen! En waarom stuurden jullie me weg en moest ik daarna weer terug komen? Alleen voor formulieren? En waarom moet ik dat tekenen?” De antwoorden op mijn vragen blijven uit.
“Geef me mijn collega terug”, blaft de Duitse stem.
“Sorry, sorry, sorry”, zegt grenschef weer wanneer hij het toestel neerlegt en duwt me nogmaals het formulier onder mijn neus met een gebaar van 'ik kan het ook niet helpen'. Bureaucratie, bureaula, archief, daarna gebeurt er niets. Dat is wat ik opmaakt uit zijn gebaren. “This is bullshit!” bijt ik hem toe. ”Da!” zegt grenschef, blij dat hij me een keer begrijpt, “fucking shit!” Scheldwoorden zijn waar dan ook ter wereld het eerste wat je leert in een vreemde taal. Met een vloek zet ik valse handtekeningen onder de documenten. Een document is voor mij. Voor in het plakboek. Wegwezen hier. Of zijn vriendelijkheid gemeend is of niet, hij zal er inderdaad niets aan kunnen doen. 


Met slechts vier Oekraïense grifna's op zak, een bedrag waar niet eens meer een brood van te kopen is en enkele hier nog waardeloze Russische roebels, zal ik opnieuw de zes kilometer terug moeten fietsen om dan af te slaan, een verwaarloosde asfaltweg in, vol met kuilen. Weg van hier, weg van de militaire discipline en bureaucratie. Op naar de volgende idioten die hopelijk wel mee mogen werken. 


Buiten staat 'Border Guard' nog steeds naast zijn Lada, zuigend aan zijn zoveelste sigaret. Misselijk mannetje dat je bent, jij vuile smeerlap, jij, jij... Ik zou het hem willen toebijten. Maar door zijn stoïcijnse houding en gebrek aan zelfs het eenvoudigste Engels, krijg je het idee zinloos tegen een muur te praten. Wat zal zijn vrouw vanavond zeggen als hij thuiskomt? Lekker gewerkt schat? Een leuke dag gehad vandaag? Zuchtend zal hij zijn legerschoenen uitschoppen, de laatste sigaret uit zijn vanmiddag gekochte pakje opsteken en grommen dat het allemaal net als alle andere dagen was geweest. En o ja, die fietser, een of andere gek uit Nederland die naar Rusland wilde, ja die was er vandaag geweest... waarna hij zwijgzaam de knop van de televisie zal indrukken. En in een flits komt de herinnering aan zijn schooltijd weer boven. De lange gang, zijn klasgenoten en hij, die jankend van ellende zijn boeken van de grond raapt. Maar dat was vroeger, tegenwoordig hoort hij er gelukkig bij en levert goed werk af. Tjonge, wat was hij alert vandaag. Op commando voert hij zijn orders uit. Lachen is er niet bij, plezier heeft hij nooit gekend. Maar gelukkig heeft hij macht. En macht is zó mooi!


Bovenstaande verhaal staat in verkorte vorm in het tijdschrift De Wereldfietser / De Vakantiefietser nummer 1-2014 onder de titel 'Border Guard'


 


Wil je nog meer van dit soort reisverhalen lezen? Voor € 15,00 kom je in het bezit van Wegwerkzaamheden - Stof voor thuisblijvers





0 reacties | reageer

Volgende pagina »

Laatste foto's

Laatste foto's
Laatste foto's
Laatste foto's
Laatste foto's
Laatste foto's

Iran

Laatste reacties

Meer reacties

Blijf op de hoogte!

Laat je e-mail achter en ik stuur je een mailtje als ik een nieuw verhaal of nieuwe foto's op de site heb gezet.

E-mail adres: