Fietsenaar....ergens

Stop de PVV, lees de krant of...?

Mijn vader las de krant. Iedere dag. Zo idioot vond hij het dat ik dat niet deed. Nu is hij al meer dan zes jaar dood. En ik lees. Al het nieuws dat maar langs komt. Berichten die vrienden, familie en anderen delen op social media en meer. Facebook, Twitter, artikelen van de Correspondent, NRC, Volkskrant en Trouw, zijn erfenis. Met analyses van mensen die nadenken, intelligent zijn en het zo goed kunnen vertellen. Ik deel ze zo nu en dan met vrienden: bemoedigend spreken we elkaar toe en geloven in het succes, de hoop dat wijze woorden uiteindelijk de weg weten te vinden naar de waarheid die iedereen onontkoombaar onder ogen moet komen. Vroeg of laat, de gerechtigheid overwint! Maar zelfgenoegzaam zitten wij in onze cocon terwijl buiten de kanker door woekert zonder deze werkelijk te voelen.

Wanneer ik in een miezerige regen naar huis terug loop, terug van een partijtje volleybal zie ik dat de toren van de Laurentiuskerk in brand staat. Een katholieke kerk, dat was het een paar jaar geleden nog. Ik zou hem kunnen vervloeken als een creatie van menselijk bedrog. Fuck al die idiote papen! Maar was het ooit eigenlijk niet net zoiets als de Facebook van vandaag? De cocon waarin men zich samen met vrienden veilig waande? Katholiek was het gebouw sinds kort niet meer, er werden mooie plannen voor bedacht: Een onderkomen voor de trotse biologische brouwerij van Wispe bier, een yogastudio en nog zo wat. Moderne contemplatie en geluk voor iedereen. Weg is nu die illusie.

Vrijwel op hetzelfde moment werd aan de andere kant van de wereld Donald Trump gekozen tot president van de Verenigde Staten. En of we nu willen of niet, hier staat Geert Wilders, breder lachend dan ooit tevoren, in de startblokken. Een door ons tot debiel verklaarde geblondeerde kerel waarvan ik nu moet toegeven dat die tot gisteren, feitelijk niets meer was dan een virtuele figuur op het televisiescherm. Een paar uur later staat de eerste analyse van Rob Wijnberg al weer op Facebook. En we lezen en klikken met z'n allen de like-knop weer aan.

Ik ben ondertussen een nieuwe fiets aan het uitzoeken en ik overweeg daar over enige tijd heel hard en heel ver weg mee te gaan fietsen. Sorry pap, kranten lezen heeft geen enkele zin.

0 reacties | Reageer

Op reis in Weesp

Het is 22:35, Amsterdam Centraal Station, de trein wacht op het vertreksignaal. Er stapt een man in van naar schatting een jaar of 30, beetje te dik, papieren zak van een pizza fastfoodketen in zijn hand. Nog net op tijd. Hij vraagt me in het Engels of dit de trein naar Zwolle is. Ik knik en wijs hem erop dat deze niet verder zal rijden dan Kampen-Zuid. Dan zullen er wel bussen gaan denkt hij… Niet helemaal een vreemde in Nederland dus, de NS werkwijze is hem kennelijk bekend. Hij haalt zijn smartphone tevoorschijn en begint een geanimeerd gesprek in een taal die ik niet versta maar waarvan de klank me op de een of andere manier wel heel bekend voorkomt. Zou het Farsi zijn? Uit de papieren zak komt eerst een punt Pizza tevoorschijn gevolgd door een blikje Amstel Radler 0,0%. Om beurten stopt hij tussen de zinnen door een hap pizza in zijn mond, of neemt een slok uit zijn blikje. Een situatie die net zo goed in Teheran plaats had kunnen vinden. De treinen zijn er weliswaar niet zo fraai als in Nederland maar de Fastfood ligt er op een vergelijkbaar niveau. Als het de Amerikanen niet waren geweest die de Italiaanse pizzakunst naar beneden getrokken hadden tot ongeïnspireerde platte hap, dan waren het de Iraniërs wel geweest. Varkensvlees komt er uiteraard nergens aan te pas maar waar de gebruikte salami en de andere soorten worst dan wel uit bestaan is net zo vaag als aardbeien in rode limonade. Om nog maar niet te spreken over overeenkomsten tussen pizzabodems en de kartonnen dozen die er in grote stapels op de toonbanken staan. Desalniettemin populair is het in Iran, vooral bij de jongeren die maar al te graag laten zien dat ze hip en modern zijn. En als het geen alcoholvrij bier is wat men erbij drinkt, dan is het wel cola of orange, als het even kan van Zamzam het Iraanse merk dat vernoemd is naar de bronnen van Mekka om het niet al te Amerikaans te doen lijken.

22:57 station Weesp, het telefoongesprek gaat nog steeds door. Het stuk pizza is bijna op. Net voor ik bij de uitgang ben wenkt de man mij en haalt uit zijn papieren zak een ijsje tevoorschijn. “Do you want icecream?” vraagt hij. Ik bedank hem beleefd. Maar...hij dringt aan. “I have more...” zegt hij ondertussen luisterend naar wat de andere kant van de lijn te vertellen heeft. “Here take it!” Weifelend neem ik het ijsje aan. En dan wil ik het weten ook: “Are you from Iran,” vraag ik hem. Hij knikt van ja met een grote glimlach op zijn gezicht. Mijn vermoeden blijkt juist! “Merci”, weet ik er nog net uit te brengen voordat ik de trein uitstap. Een van de weinige woorden Farsi die ik nog onthouden heb. Dat zoiets je als buitenlander in een Iraanse trein kan gebeuren was mij bekend. Vreemdelingen het naar de zin maken is er een soort nationale sport. Maar als je hier in Nederland vertoeft en zelf vreemdeling bent te midden van allemaal stugge afstandelijke calvinisten? Neem je je cultuur dan gewoon trots met je mee? En waarom ten gunste van mij? Hoeveel ijs zou hij zoal uitdelen op een dag? Vragen waar ik geen antwoord op zal krijgen. Geen woord heb ik verder met hem kunnen wisselen.

Het kan niet anders dan dat ik op een dag nog een keer naar Iran ga, een boeiender volk dan de Iraniërs kan ik me bijna niet voorstellen. Dan neem ik echte Hollandse kaas mee zo besluit ik, als cadeau voor deze en gene. Voor op een broodje of als dat te eenvoudig is, om een punt pizza naar een iets hoger niveau te tillen.

English translation:

Travel tale from Weesp

It's 22:35 hrs, Amsterdam Central Station, the train waits for the whistle signal, the time to leave. Just in time a man is boarding the train, estimated to be 30 years old or so. Bit too fat, paper bag of a pizza restaurant chain in his hand. He asks me in broken English whether this is the train to Zwolle. I nod and point out to him that it will not drive beyond Kampen South. There will be buses he thinks ... Not quite so strange, NS (Dutch railway company) procedure is obviously known to him. He grabs his smart phone and starts an animated conversation in a language I do not understand, but it sounds very familiar in one way or another. Would it be Farsi? From the paper bag appears a piece of pizza followed by a can of Amstel Radler 0.0%. Alternately, he takes a bite from the pizza in it between the sentences, or takes a swig from his can. A situation that could occur just as well in Tehran. Although the trains there are not as attractive as in the Netherlands, but the Fastfood lies at a similar level. If not the Americans had pulled down the pizza art to an uninspired flat bite, then it had been the Iranians. Pork is of course nowhere to be found but where the salami and other types of sausages are made of is just as vague as strawberries in red lemonade. Not even to talk about similarities between pizza crusts and cardboard boxes that appear on the counters in large piles. Nevertheless, it is popular in Iran, especially among young people, in order to show that they are hip and modern. And if it's not non-alcoholic beer what they drink, then it is coke or orange, if possible Zamzam, the Iranian brand named after the sources of Mecca, not to make it a too much of an American copy.

22:57 hrs, station Weesp, the telephone conversation still goes on. The slice of pizza is almost done. Just before I reach the exit, the man beckons me, and takes an ice cream from his paper bag. "Do you want ice cream?" He asks. I thank him politely. But... he insists. "I have more..." he says, meanwhile listening to what the other side of the line has to tell him. "Here take it!" Hesitating I take the ice cream. And than I like to know it! I want the answer to my suspicion: "Are you from Iran," I ask him. He nods yes with a big smile on his face. My hunch proves correct! "Merci," I said just before stepping out of the train. One of the few words in Farsi, which I still remember. That something like this could happen to you as a foreigner in an Iranian train, I was known to me. Pleasing foreigners there is a kind of national sport. But what if you are the alien and dwell here in the Netherlands, amid all stiff distanced Calvinists? Are you still carrying your proud culture with you? And why in my favor? How much ice cream would he handing out each day? Questions I will not receive an answer to. Not a single word I was able to exchange with him.

It's obvious, I'm going back to Iran one day. A more interesting kind of people than the Iranians I can hardly imagine. I'll take real Dutch cheese with me I decide, as a gift for some of them. For a sandwich, or if that is too simple, to lift a fast food pizza slice to a slightly higher level.

3 reacties | Reageer

Stop de toerist!

Daar waar geld wordt verdiend, wordt doorgaans niet gemord. Maar toch, Amsterdammers doen het nu wel. Natuurlijk, kankeren zit de Amsterdammers in het bloed maar meestal is dat met een knipoog. Nu is het serieuzer en de media hebben het inmiddels opgepakt: Er zijn toch echt veel te veel toeristen in de stad en dat kan echt niet langer zo!

Anders dan gelijk geven kan ik ze niet. Afgrijselijk lelijke dubbeldeksbussen wurmen zich tussen de meute door de veel te smalle straten. Als stad van naam en faam dienen de bussen tot je inventaris te behoren, zonder hoor je er niet bij. Dat ze het beeld van 'cosy Amsterdam' om zeep helpen dat is dan maar zo. Zich veel te langzaam voortbewegende bierfietsen vol lallende Britten dragen ook bepaald niet bij aan een positieve sfeer. De toeristen zelf lijken het allemaal wel best te vinden, dronken of niet. Nuchtere museumbezoekers laten zich gewillig als vee bijeen drijven achter hekken voor het van Goghmuseum. Na uren wachten mogen ze mondjesmaat een voor een naar binnen. 'Uitkleden en eerst douchen.' De rijen voor het Anne Frankhuis worden alleen maar nog langer. Lang leve het Amsterdams hartinfarct. Nee, ik ben blij dat ik er niet woon en sterker, dat ik geen toerist ben die dit soort steden bezoekt!

Ik bevind me nu in Frankrijk. Even eerder passeerde ik De Mont Saint Michel op een steenworp afstand naast mijn route. Hoe bijzonder deze bebouwde rots in zee ook is, ik ging me daar echt niet laten zien! Vanaf een afstand schoot ik slechts een paar plaatjes. Maar als je zoals ik weigert met een reisgids in je tas op stap te gaan, kan het wel gebeuren dat je er toch opeens ongewild middenin komt te zitten. Montreuil sur Mer blijkt zo'n plaats te zijn waar je als rechtgeaarde toerist geweest móet zijn. Het stadje met stadswallen en poorten is dan ook een plaatje om te zien! Op de camping krijg ik met moeite een plekje toegewezen. Eerst moet ik toestemming vragen aan een stel Belgen of ik naast hen mag komen staan. Het mag. Gelukkig zijn het ook fietsers. Andere toeristen worden weggestuurd: “We zijn vol!”

Maar wanneer ik 's avonds het stadje inloop moet ik ineens mijn beeld drastisch bijstellen. Het is hier helemaal niet vol! Waar is iedereen? Heeft het te maken met de aanslagen in Parijs en Nice? Zou kunnen. Montreuil sur Mer behoort tot de regio Pas de Calais maar ja, wie weet dat? Het is en blijft in de eerste plaats Frankrijk. Maar aanslagen alleen kunnen de reden niet zijn. Restaurants, cafés, hotels, het is er allemaal volop en geen van allen nodigt uit naar binnen te gaan. Het lijkt hier allemaal niet zo te hoeven. De camping is te klein en men laat dat zo. Een man wast zijn auto met behulp van een tuinslang, de pizzeria-eigenaar dweilt zijn vloer. Een van de restaurants doet nog een kleine poging met een schoolbord voor de deur: zes slakken als voorgerecht voor € 6,90. Volgens de Keuringsdienst van Waarde zouden dat zomaar dezelfde kunnen zijn als die in je Hollandse achtertuin de hosta's opeten. Dat het Nederlanders niet meer zo uitnodigt om die te gaan consumeren bij een glaasje witte wijn, zou een gevolg kunnen zijn. Je moet er als Franse uitbater maar net kennis van hebben genomen. Het is een kip en ei-situatie. Als er geen Nederlanders zijn die dat komen vertellen houdt het op. Naast de fontein een andere schamele poging. Een monument ter nagedachtenis aan Marchal Haig, een Brit die hier furore maakte tijdens de Eerste Wereldoorlog. De Britse vlag hangt in top. Maar de Engelsen vieren thuis op hun eiland de Brexit en lijken de heldendaden van honderd jaar geleden in het bevriende buurland geheel vergeten te zijn. Eén café slechts waagt het nog om op het plein een terras open te houden. Te weinig om sfeer in het stadje te brengen. De live muziek verdwijnt verloren de nacht in. “Should I stay or should I go”, zingt een meisje. Haar vriend de gitarist speelt nog wel aardig maar het meisje zingt vals. Je mag wel weg hoor.

Mij stemt het tevreden. Ik alle rust slenter ik door het stadje. De stadswallen zijn begroeid met mooie plantjes: Cymbalaria Muralis en het iets zeldzamere Pseudofumaria Latea valt op een bordje te lezen. Het stukje gras onderaan de muur is ter beschikking gesteld aan een imker die met zijn bijenkasten en rondom de stad gezaaide wilde bloemen, een bijdrage moet leveren aan meer biodiversiteit. Het dient tegelijkertijd als educatieproject voor schoolkinderen. Nee, Monreuil sur Mer maakt duidelijk een andere keuze dan Amsterdam. Toeristen zijn bijzaak, het stadje is er in de eerste plaats voor de bewoners zelf. Om er een rustig harmonisch leven te kunnen leiden zonder gekanker en gemor.

1 reactie | Reageer

Leven als God in Frankrijk?

'Summer's just around the corner', een levensgroot billboard bij de haven van Roslare laat er geen misverstand over bestaan: het weer in Ierland is beroerd en in Frankrijk is het goed. Een reclame van de veerbootmaatschappij die zowaar niet liegt.

In Frankrijk vallen de mussen zo ongeveer dood van het dak, het verschil is enorm. En het Franse leven? Tja, dat is fameus. De eerste de beste megasuper die ik binnenstap laat het al zien. Bij de ingang in een enorme stalen teil met de grootste paté van de streek. 180 kilo varkensvlees ging erin volgens het begeleidende bord. De visafdeling is al even imposant. Op brede bedden van ijs liggen de meest uiteenlopende soorten vis en schaaldieren uitgestald. Krabben met elastieken om de scharen, levend en wel in kratten ernaast. Wie ooit in Frankrijk is geweest zal het direct herkennen.

Zo ook de dorpen, dat zijn de gekoesterde pareltjes, waar net als aan het eten, heel veel aandacht wordt besteed. Rode draad is het centrale plein met het Hotel de Ville en de kerk dat geflankeerd wordt door een monument ter nagedachtenis aan de gesneuvelden uit de Eerste Wereldoorlog. Als het even kan ontbreken de bronzen soldaat en een flinke hoeveelheid vlaggen niet. En dan zijn er natuurlijk standaard een Boulangerie, Presse Tabac en een Café de Sport. Bloembakken vol vrolijkheid en openbare toiletten met glimmende tegeltjes maken het geheel compleet, het lijkt allemaal niet op te kunnen. Fransen zorgen goed voor zichzelf. Neem dan de Ieren, die vinden een Guinness in de Pub al geweldig. Slap zwart bier met status ontleend aan reclamecampagnes. Ook Heineken heeft er zo voet aan wal gekregen.

Maar Frankrijk bestaat natuurlijk niet alleen uit dorpen. Wanneer ik de stad St. Brieuc binnen rijd openbaart zich opeens en heel ander Frankrijk. Het is zondag en misschien dat dat er nog toe doet? In tegenstelling tot de meeste andere West Europese landen, is na een uur of half twaalf echt alles gesloten. De vakbonden, die hier nog immer uit staal zijn gesmeed, zullen er vast debet aan zijn. Doodse stilte op straat. Maar de haveloze gebouwen, te koop staande winkelpanden met dichtgeplakte ramen en groepjes allochtonen hangend langs de gevels, laten zien dat er meer aan de hand is. Zelfs de stak blauwe lucht weet geen vrolijkheid de stad in te brengen. Het is hooguit de Afrikaanse vrouw die, in een geelbonte jurk met bijpassende hoofddoek, op de bus staat te wachten die een warme herinneringen bij mij naar boven roept. Ze zou zo van de markt in Djennee weggelopen kunnen zijn. Ook het kleine centrum laat het heimelijk afweten. De serie fraaie vakwerkhuizen mist de levendigheid die nodig is om het toeristen én bewoners naar de zin te maken. De verf is mat en gebarsten, de deuren zijn gesloten.

Even verderop, buiten het centrum vind ik mijn overnachtingsplek, in een wijk voor de wat beter gesitueerden die groen en ruim is opgezet.

Tijdens een ommetje loop ik een jongen tegen het lijf. Met het hoofd voorover gebogen, half verscholen in een capuchon, sjokt hij langzaam vooruit. In zijn hand een lege glazen drankfles. Ben je Syriër?” wil hij weten. En “Wat doe je hier?” “Nee, Nederlander en ik loop even een rondje”, is mijn antwoord. Ah Les Pays Bas! Daar kan je goed je dope snuiven”, zegt hij en drukt zijn vinger tegen een neusgat om te demonstreren hoe je dat doet. Zijn priemende ogen met wijde pupillen maken wel duidelijk: hij is totaal de weg kwijt en zo stoned als een garnaal. Marokko, Algerije, of welke andere voormalige Franse kolonie, zijn ouders zullen er hoogst waarschijnlijk vandaan komen. Werkloos, zal vast. Ik zou het hem allemaal wel willen vragen maar gesprekken aanknopen met junks is me toch net even te lastig. Zou hij een groot rijbewijs hebben?

Frankrijk is voor de Fransen, volgens Le Pen en consorten. Ook de rest van de politici hebben inmiddels de naam gekregen het het nogal af te laten weten. De bloembakken in de dorpen zijn belangrijk, allochtone randgroepjongeren niet.

Ik steek de straat over en loop in tegengestelde richting terug naar mijn tentje. Zwaaiend met zijn arm slaat de jongen per abuis zijn fles aan gruzelementen tegen een lantarenpaal. Lastige obstakels. Hij merkt het aanvankelijk niet eens, totdat hij naar zijn hand kijkt en ziet dat daar enkel nog een flessenhals in zit. Schouderophalend smijt hij het in de goot. “Les Pays Bas”, mompelt hij nog en verdwijnt dan langzaam buiten mijn beeld.

3 reacties | Reageer

Rondje in de regen

Grijze wolken jagen regen over Ierland. Niks bijzonders voor dit land en het regent er meestal nog uit ook. Zo ook nu, onophoudelijke miezer. De streek waar ik doorheen rijd bestaat uit dikke pakketten veen. Dun bevolkte zompige spons nog goed genoeg voor de schapen en enkele bijbehorende boerderijen. Oude plantenresten, van binnen zwart om groen te kunnen zijn van buiten met paarse bloemen in de greppels. Varens, vingerhoedskruid, heide. De regen komt er in tot rust. Hier en daar staan skeletten van huizen waar de tijd het dak vanaf heeft gevreten. Tussen alles door kronkelt de weg als een zwart lint, langs de heuvels en de rivieren. Daaroverheen, schuin leunend en worstelend tegen de wind rijd je dan, als eenzame fietser die denkt dat hij langzaam gaat en twijfelt of hij wel op tijd zijn doel zal halen. Maar wat is langzaam, al zou ik lopen, nee kruipen zelfs, dan nog ging het te snel om iets van het land te kunnen begrijpen. Voor het opbouwen van de veenlagen zijn eeuwen nodig geweest en voordat de heuveltoppen zo rond waren als ze nu zijn, gingen miljoenen jaren voorbij. Wie ben ik dan om daar deel vanuit te kunnen maken? Ben ik veel anders dan de schapen die met hun met verf bekladde ruggen in rood, blauw en paars, de planten onverstoorbaar kort vreten? De regen en de wind, ze lijken het niet te voelen. Ze gaan onverstoorbaar door met leven tot het moment dat ze ondersteboven aan de vleeshaak hangen en hun wol tot warme truien is gebreid. De regen bezorgt me een melancholieke bui. Wat doe ik hier, en wat deed ik hier vraag ik me af en als ik met beide wielen een andere realiteit binnen rijd, de realiteit die camping heet. Waar mensen vanuit hun luxe comfortabele auto vol technische snufjes in een tent of caravan kruipen. Zelfs voor de achterklep hoef je tegenwoordig niet eens meer je arm te strekken. Je zal moe worden, die gaat automatisch open en dicht. Verscholen achter omheiningen van windschermplastic nemen ze plaats op klapstoelen en de tijd trekt ook aan hen voorbij. Ik pel er mijn Gore-tex af, neem een douche en laad mijn telefoon op, waar je ook al lang geen kwartje meer in hoeft te gooien. Moe gefietst val ik op mijn lichtgewicht opblaasbare isomat in een diepe zagende slaap. Wat is het dat mij drijft? Het zal ervaring opdoen zijn, vanuit een soort masochisme, de schoonheid van het afzien. Moe worden om te kunnen voelen, zoals de boeren en de herders dat vroeger ook nodig hadden om het land met passie te kunnen bewerken. En de angst om dik, vol nutteloos reserve vet met een welvaartsziekte in een ziekenhuis te belanden. En in een melancholieke bui draai je donkere muziek. Ik kan er niets aan doen maar op de een of andere manier word ik er vrolijk van:

'I travelled seas, I travelled moors, I conquered fear, I settled scores. And all your love has been my bed, under bridges in the snow. I lived the war, I felt the rain, The muddy fields, I lived the pain. Or was the man within my head a lie?'

Soms komen dingen samen en ook dat maakt het leven tot een wonder.

Ik geniet op mijn eigen manier, zoals alle mensen ieder op hun een eigen manier proberen te genieten. Naast de camping staat een recreatiepark met een draaimolen. Kinderen nemen plaats in een brandweerauto, op een motor of een hobbelpaard. Het lijkt of er heel wat op gebeurt maar het ding draait enkel rondjes, telkens alleen maar rondjes.

7 reacties | Reageer

Brexit

De regen van de afgelopen nachten is niet in staat gebleken de zwarte vlekken van mijn tent te spoelen. Zwarte vegen, roet van een vuur met hout afkomstig uit ieder jaar kleiner wordende bossen in Malawi, een jaar geleden. Geen druppel regen had de tent sindsdien gezien. De bewakers van backpackerscamping Mzoozoozoo wisten zich er 's nachts warm mee te houden, ineen gedoken in dikke jassen, half slapend op een stoel. Net zomin als de regen de vlekken weet weg te spoelen, zijn ook de herinneringen hieraan nog niet uitgewist. Malawi, een straatarm land waar de corrupte regering honderden miljoenen ontwikkelingsgeld wegsluisde naar onbekende bankrekeningen op dubieuze eilanden ver weg of waar dan ook. De mensen, het volk berustte erin. Ze waren niet anders gewend dan dat het slecht ging en dat er een upperclass is die zich verrijkt. 'Ze zullen er altijd zijn, het maakt niet uit wie je kiest, ook al denk je dat het de goede is, corrupt zijn ze allemaal. Of anders worden ze het wel'.

En nu in Groot-Brittannië heeft het klootjesvolk, de domme laag opgeleide onder- en middenklasse er voor gezorgd dat het land uit de EU verdwijnt. Kwalificaties van de schamperende bovenlaag, alsof in een paar oneliners valt samen te vatten wat en vooral wie de oorzaak zijn van het toenemende populisme en de xenofobie. Domme mensen zijn eenvoudig zonder schuldgevoel in een hoek te zetten. Ondertussen vraag ik me af: het 'domme' volk heeft er toch net zomin voor gekozen dom te zijn als de mensen van Malawi gekozen hebben arm te zijn? Je kunt er nog zoveel redenaties tegenaan gooien, geschiedkundig, politiek of wat dan ook, beide groepen blijken niet te kunnen beseffen wat er gebeurt als je slogans van populisten volgt en je de onderbuik laat spreken, al zouden we dat nog zo graag willen. Afreageren, agressie en frustraties uiten, het voelt zo fijn op het moment. “Wat als Schotland er straks toch nog voor kiest onafhankelijk te worden?" vroeg ik een nogal cynisch ogende campingbaas. “I don't like the Scots”, was zijn eenvoudige antwoord. “Als ik daar (in Schotland) de bus instap en wil betalen met een Engels bankbiljet, accepteren ze het niet. They can piss off! I vote for leave!”

De toon is gezet, de verdeeldheid gezaaid en ik begin me soms toch wel wat zorgen te maken. Misschien ook wel wat te veel. Want ondertussen gaat het leven gewoon verder. De regen gaat over in zon en de zon weer in regen. Kwakkelweer met wolkenpakketten die kleuren van wit naar grijs tot asgrauw, laag achter laag. De schapen grazen de velden tot groene tapijten; in de Yorkshire Dales kaler dan kaal en in het Lake District niet anders maar het landschap wisselt zich af met bossen en meren. De slogans, rood wit op borden in de steden lijken ver weg, ze zijn er niet meer. En het land klaagt niet. De mensen zijn vriendelijk, overal ben ik welkom en niemand die tegenover mij over de Brexit begint. En als ik 's avonds mijn tent weer opzet zitten de zwarte vlekken er nog steeds op. Onuitwisbaar.

3 reacties | Reageer

De kloof

Zimbabwe, honderd kilometer voor de grens.

“Zuid-Afrika is shit tegenwoordig,” vond hij. “Het gaat er niet meer zo goed. De Rand duikelt de diepte in en voor ons wordt het ook steeds minder. Zo'n drie miljoen Zimbabwanen werken er in het buurland. Nog wel, dat zou binnenkort wel eens minder kunnen worden. Wij doen het werk dat de eigen bevolking niet wil doen, of niet kan doen omdat men er geen opleiding voor heeft. Stelen en snel geld binnen halen, dat doen de kanslozen het liefst, ze hebben geen opleiding en willen niet naar school. Zuid-Afrika is echt een ander land, het is er niet veilig. Stoppen doe ik er niet, anders ben ik mijn spullen kwijt. Voor twintig Rand schieten ze al een kogel door je kop. Twintig Rand, dat is minder dan twee Dollar hè. Wij hebben de Amerikaanse dollar, dat is de reden waarom ik er goedkoop inkopen kan doen. Hier is alles een stuk duurder.” De band van zijn aanhanger was lek. Middenin de bush. De weg was leeg en er was niemand die hem helpen kon. Ik beloofde hem mensen te sturen als ik ze tegenkwam.

Zuid-Afrika

Vanaf een heuvel kijk ik neer over een stad. Een Township zoals ze dat noemen, met de naam Matoks. Een monument markeert er de Steenbokskeerkring. Een eenvoudige pilaar omgeven door muren en hekken met prikkeldraad, zoals alles in dit land door muren en hekken omgeven is. Zelfs een monument als dit. Alles heeft waarde. Wellicht is het het metaal waarop men het gemunt heeft. Als je de ontbrekende letters van het opschrift invult valt er het woord Steenbokskeerkring van te maken.

Op mijn kaart is de plaats niet te vinden, wel de vermelding van het monument. Betekenis zal de stad het niet hebben, inwoners heeft het des te meer. Tellen zij ergens toe mee? Het is precies zoals ik het al ken, van thuis op de tv wanneer men in het nieuws over een Township had. Honderden eendere huisjes, verspreid over het land als een restant chocoladevlokken op een verder leeg ontbijtbord. Center Parks, zonder park, zonder bestrating, zonder sfeer en zonder enige luxe.

Begrafenisondernemers beloven met reclames op afscheidingsmuren een waardig afscheid voor nabestaanden en een veilige reis voor de overledene op weg naar het volgende leven. Steenhouwers van grafmonumenten een mooie herinnering. De dood als economische toekomst. Langs de straat sjokken vrouwen met boodschappentassen op weg naar huis. De dood stellen zij nog even uit.

Het Guesthouse waar ik overnacht steekt kleurrijk af tegen de rest van de omgeving. Het staat er nog maar vijf jaar. Geopend in 2010 volgens een opschrift, ten tijde van het WK voetbal. Een bewaker patrouilleert op het terrein. Als je nog boodschappen wil doen moet je snel zijn,” zegt hij. “Voor vijf uur moet je zorgen dat je binnen bent, daarna is het niet meer veilig.”

Bij het winkelcentrum een kilometer verderop, zwerven groepen jongeren. Langs door regenwater uitgesleten geulen vol zwerfvuil. Achter de muur staat een beveiliger bijna onopvallend tegen een pilaar geleund. Rechts heeft hij zicht op het hek, de ingang, negentig graden naar links ziet hij de geldautomaten waar een enkeling omzichtig geld uit haalt. En waar ik al bang voor was gebeurt: Een schooier klampt mij aan en wil dat ik een brood voor hem koop.

Het treft niet, het is zondag en de supermarkt gaat dicht. Verderop is de Shoprite nog open zegt de vrouw met de sleutels in haar handen bits. Het is een taxichauffeur die mij wenkt. Zijn scherpe oog, getraind bij het oppikken van passagiers, heeft kennelijk gezien dat ik niet meer naar binnen mocht. “Kom stap in, ik breng je naar de Shoprite,” zegt hij. Tweehonderd meter is het slechts, niets meer. Het hek van het winkelcentrum uit, een straat over en bij het volgende hek weer naar binnen. Betalen hoef ik hem niet. Hij doet er verder het zwijgen toe, geeft mij geen reden van zijn aanbod maar op zijn gezicht valt te lezen: het is hier niet veilig.

Bij de hoek van het winkelcentrum, bij de geulen vol rommel: De schemering heeft inmiddels zijn intrede gedaan. Ik tref er de jongens weer. “Kom, geef me een brood. Kan je niet zien hoe wij lijden? Wat heb je daar allemaal in je tas?” Zijn maat wriemelt nerveus met een schroevendraaier tussen zijn vingers. “De supermarkt heeft de voorraad, ik niet, vraag het hen,” bijt ik hem toe. “Waar zijn je vrienden en waar is je familie? Is er helemaal niemand die voor je zorgt? Ik ben blank hè en daarom moet je mij hebben.” Mijn ouders zij dood en mij vrouw is ziek,” antwoordt hij ingestudeerd. Samen met zijn maat loopt hij achter mij aan, langs de hoofdweg richting het guesthouse dat nog veel te ver weg is. Opgeven is er niet bij. Nee is geen woord dat betekenis heeft en krijgen is een eis. “Wat zit er daar in je tas?” en hij betast de inhoud op mijn rug. Opnieuw is het een taxi die met bijna piepende banden zijn voertuig tot stilstand laat komen, een andere dan zo-even. Ik kan instappen en een kilometer verder bij het guesthouse er weer uit. Opnieuw hoef ik niets te betalen en opnieuw zie ik de blik van de man die dezelfde boekdelen spreekt als zijn collega: “Het is hier niet veilig!”

Reodtan Zuid-Afrika

Aan de bar van het hotel zit een groep blanke mannen. Bonkige kerels, met dikke nekken en ronde buiken, boeren deels en slechts een jonge vrouw met glanzende lange haren en slanke benen van satijn. Ze hebben plezier, drinken cola met rum en stoppen mij ook een glas in de hand. Ik ben meer dan welkom. Een heeft net een kalf gekocht en dat zullen zijn vrienden weten. Hij is trots, het is het eerste beest dat hij heeft gekocht sinds hij voor zichzelf begon. Een slang met water spat in het rond. Jongensachtig kattenkwaad. Een overhemd sneuvelt. Quasi beduusd kijkt het slachtoffer in het rond en barst dan in een onbedaarlijk lachen uit. “Het waren van die mooie blokkies,” wijst hij op zijn kledingstuk waar precies op de lijntjes een lange reep uit verdwenen is.

Ze leren mij Afrikaans, ondanks dat ik het meeste wat zij zeggen eigenlijk wel versta. Maar dat 'hallo' 'je ma se poes' en 'tot ziens' 'je pa se balles' betekent, dat moet ik toch echt wel weten. Glunderend van trots zijn ze als ik het feilloos weet te herhalen.

Nee, zwarte vrienden hebben zij niet. 'Onze ouders hebben ons geleerd geen enkele zwarte ooit te vertrouwen,' zegt het satijnen meisje ernstig.

Zimbabwe

Langs de kant van de weg was er de aanhangwagen met de lekke band. Inmiddels begin ik voorzichtig te vermoeden hoe het kan dat de Zimbabwanen zo trots zijn op hun land. Ondanks dat de crisis het land met werkloosheidscijfers van negentig procent tot gevolg, vrijwel tot stilstand heeft gebracht. Het waren knokploegen van Mugabe die de blanken het land hebben uitgejaagd, niet de bevolking zelf. “Wij hebben na Egypte de best opgeleide bevolking van Afrika,” zei de man. "Mugabe is een oude man, hij heeft er een puinhoop van gemaakt maar hij heeft ook wel eens wat goeds gedaan. Het zal niet lang meer duren tot hij dood gaat. Ons land is veilig en vreedzaam, daar zijn we trots op!"

3 reacties | Reageer

Beestjes

In het dorp Gwayi, in een witte Landrover tref ik Mark een gepensioneerde Amerikaan die met zijn imposante buik en platte Texaanse accent, aardig in de buurt komt van de stereotype Amerikaan.“I love animals, although I sometimes shoot them. But just a little you know. I've seen herds of 300 elephants and thousands of buffalo’s. There are many here.” Het leidt geen twijfel of hij is tegen elke wapenrestrictie en in Zimbabwe is hij daarom op de goede plek beland. Hier kun je zonder meer je gang gaan en je heerlijk uitleven. Je neemt eens een tandarts op sleeptouw, schiet een paar olifanten, buffels of krokodillen en als het zo uit komt een leeuw of wat, alles kan, het wilde westen is hier. This the place to be! Of zou de werkelijkheid iets genuanceerder liggen? Waar zijn zijn pistolen eigenlijk? Mark neemt me mee naar een collega verderop. Het is een kennis van zijn kok die het dorp goed kent. Daar kan ik wel overnachten. Eigenlijk best wel een aardige kerel die Mark. 

Mijn gastheer is een local met een al even imposante buik als Mark with the white Landrover. Het vlees smaakt de heren goed. Hij organiseert vanuit zijn compound jacht- en fotosafari's. Ja, dat van die Amerikaanse tandarts laatst... “That was not a good thing! This ruins our business! zegt hij. Meewarig schudt hij zijn ronde hoofd. “Het was een stroper die dit soort dingen al eerder gedaan heeft, ik weet wie het is. Hij verpest het voor ons. Ik heb een vergunning en jaag alleen binnen vastgestelde gebieden, privédomeinen. Nooit binnen het Nationaal park! Dat is absoluut verboden.” 

Tja, wat zou ik er van moeten vinden? Thuis overwoog ik nog om op de Partij voor de Dieren te stemmen. Ondertussen ben ik stiekem eigenlijk wel een beetje blij mee dat de heren de olifanten de stuipen op het lijf weten te jagen en mensen zijn gaan zien als gevaarlijke wezens. Meerdere malen werd mij verteld dat de wildpopulatie in het Hwange Nationaal Park, maar zeker ook daarbuiten, enorm is. Een gebied zo groot als half Nederland of zo en daar moest ik doorheen. Niet door het park zelf maar wel door het naastgelegen bosgebied. Olifanten, leeuwen, buffels, neushoorns en jachtluipaarden de gehele big five is ook daar aanwezig. En olifanten zijn misschien nog wel het gevaarlijkst. Als je hun pad kruist laten ze geen bot van je heel. Ze rammen je zo van de weg af het bos in! Bij de Victoria watervallen zag ik de olifantenpoep in grote hopen langs de kant van de weg liggen. En ook op weg hiernaartoe zag je regelmatig scheefstaande bomen, afgebroken takken en een enkele hoop stront. Overdag fietsen is geen probleem, het wild waagt zich dan niet op de weg, dankzij de jagers wellicht en de trucks die met name 's nachts met hun stalen buisconstructies voorop de bumper, regelmatig een en ander van de weg afbonjourt. Nee, ik voel me er wel veilig door. De Partij voor de Dieren laat ik nog maar even voor wat die is. 

In mijn tentje in de bush kamperen is een ander verhaal. Dat laat ik echt wel uit mijn hoofd. Iedereen raadt het af en noemt het levensgevaarlijk. Ik geloof dat wel. Op weg naar dit dorp stonden er diverse wegwijzers naar de verschillende Lodges langs de kant van de weg. Ik had er zo naartoe kunnen gaan zei een enkeling die ik tegen kwam. Maar moest ik dat nou echt geloven? Al deze lodges liggen zo'n vijf tot tien kilometer van de weg af, in de buurt van het Hwange Nationaal Park. Toen de tijd toch wel begon te dringen stapte ik bij een zijweg even af en nam een kijkje bij het pad dat de bush in leidde, richting de Ivory Lodge, bij een zandpad waar het slecht fietsen is en in de verste verte geen lodge te bekennen was. En tot mijn schrik ontwaarde ik in het zand tientallen afdrukken van het logo van Felix kattenvoer. Vier van die kussentjes, rond één grote! Oeps! Ingeblikt in je auto zou je daar zonder problemen kunnen rijden. Maar als ik dat pad in was gefietst, had ik mij toch wel Sheeba op een presenteerblaadje gevoeld. Voor geen goud dat ik dat pad was ingegaan!

“Tja,” zegt mijn gastheer, “er zit inderdaad veel wild hier. Een enkele keer lopen de leeuwen wel eens mijn tuin in. Daar,” en hij wijst op het veld van het naastgelegen huis. We moeten er mee leven, het is nou eenmaal zo. De kans dat een leeuw een mens aanvalt is heel erg klein, dat gebeurt vrijwel nooit.” 

Mijn tentje zet ik op aan de andere kant van het huis. Een felle bouwlamp verlicht het terrein gedurende de nacht, daar houden beestjes niet zo van. Nou ja, met uitzondering van enkele dan. Je zou een van hen bijna vergeten. Een beest waar geen enkele safari voor georganiseerd wordt en niemand foto's van maakt maar wel jaarlijks duizenden doden op zijn (of is het haar?) geweten heeft. De malariamug! Het wordt tijd dat ik een lange broek aan ga trekken en mijn gastheer om een oude krant ga vragen. Ik ga op mijn eigen hunting safari! I'm gonna kill them all!

2 reacties | Reageer

Volgende pagina »

Laatste foto's

Laatste foto's
Laatste foto's
Laatste foto's
Laatste foto's
Laatste foto's
Frankrijk

Laatste reacties

Meer reacties

Blijf op de hoogte!

Laat je e-mail achter en ik stuur je een mailtje als ik een nieuw verhaal of nieuwe foto's op de site heb gezet.

E-mail adres: