Fietsenaar....ergens

Rustdag in Resadiye

Dat gastvrijheid ver kan gaan in Turkije was mij al bekend. Maar wat is nog gastvrijheid als je een wandelende portemonee achter je aan hebt lopen? Ik breek mijn hoofd erover en begrijp er weinig van. Dat bij de oudere mannen in een theesalon gratis thee is te krijgen, oke. Of bij iemand thuis te gast zijn en niets hoeven te betalen,ik kan me er wat bij voorstellen. Maar dit? De man was vroeger leraar begrijp ik uit zijn twee woorden Frans. Hij wees me de weg naar het hotel, althans dat dacht ik. Maar het was geen hotel. Een overnachtingsplek voor leraren van buiten de stad of zoiets zal het zijn geweest. En betalen? 'Para yok!' Geen geld! Iets met 8000 huizen deed ie ook. Onroerend goed? Dan zal hij zal geld in overvloed hebben gehad. En ondanks dat ik al een ontbijt achter de kiezen had, nam hij me mee voor een tweede. En 's middags liep ik hem weer tegen het lijf, weer naar het restaurant. En 's avonds? Opnieuw! Internet? Hij wees me de weg en had al geregeld dat het weer voor zijn rekening kwam. Het leek alsof ik iets vreselijk goeds had begaan, zijn leven gered of zo. Maar enkel tien minuten converserengingen eraan vooraf. Tien minuten met standaard vragen beantwoorden die ik zonder het Turks te verstaan zo wel kon raden. Waar kom je vandaan? Hoe heet je? Wat is je beroep? Je leeftijd? Niets meer dan dat. Gelukkig kreeg ik dan nog zijn adres, zodat ik dan tenminste nog een kaartje kan sturen. Mensen met geld teveel, zo gis ik, komen er op latere leeftijd achter dat het ze niet het geluk heeft opgeleverd dat ze vooraf hadden verwacht. En als vreemdelingen ontmoeten een soort nationale sport is in Turkije, zal hijhet tot in het extreme beoefenen. Maar of ik er gelukkiger van geworden ben? Eerlijk gezegd, nee niet echt. De enige reden dat ik alles accepteerde was omdat het de man leek te plezieren, al kon ik ook dat heel moelijk ontdekken.

Locanta

Natuurlijk had ik bij het plaatselijke hotel - restaurantkunnen gaan eten. Aan keurig gedekte tafeltjes met uitzicht op de haven vergezeld van een koel glas Efes. Maar ik slenterde door het dorp en schoof onwillekeurig het eerste de beste locanta binnen. Het eethuis waar vooral 's middags door de plaatselijke werknemers de lunch wordt genuttigd en waar doorgaanshet etenzo slecht nog niet is. Nu in de avond is het er vrijwel leeg. Vanuit de vitrine maak ik mijn keuze: soep; salade; rijst en een groente met vlees gerecht.

Wanneer net de maaltijd is opgediend en ik de eerste hap van mijn soep neem, komt er een oude man binnen strompelen, zwaar leunend op zijn stok. De holle blik in zijn ogen doet vermoeden dat er nog weinig uit zijn omgeving tot hem doordringt. Zonder ook maar een woord te zeggen neemt hij schuin tegenover mij plaats: Als een automatisme, eten aan een eigen tafel doe je niet als er nog iemand anders in de zaak aanwezig is. Van de chef krijgt hij een kop soep geserveerd. Uiterst langzaam strekt hij zijn arm uit richting het flesje azijn dat net buiten zijn bereik aan de rand van de tafel staat. Met de grootst mogelijke inspanning krijgt hij het te pakken waarna met grote slagen de druppels in zijn soep spetteren. Daarna is de peper aan de beurt: er vormen zich bruine eilandjes in de gele brei. Ach ja, bij gebrek aan een bejaardentehuis is dit een goed alternatief. Met smaak lepel ik mijn kom leeg.

Uit de mond van de man ontsnapt een straal kwijl dat hij nog net op tijd met een servetje weet weg te deppen. Het levert slechts kort resultaat op. Een nieuwe straal zakt langzaam naar beneden en blijft halverwege zıjn pruilende onderlip en zijn soepkom hangen. Snel neem ik een hap van mijn sla, niet meer kijken houd ik mezelf voor. Maar een zacht gesmak aan de andere kant doet mijn blik onwillekeurig toch weer naar links glijden. De soep uit zijn kom is vrijwel verdwenen: Geheel geabsorbeerd door stukken brood die hij tergend langzaam wegsabbelt in zijn tandenloze mond. Misschien was eten met een koel glas bier en uitzicht op de haven toch beter geweest?

Istanbul

Dictators met wat voor pet dan ook waren altijd goed in het neerzetten van imposante gebouwen ter eer en glorie van zichzelf. Zo staat er in Istanbul de Sultan Ahmed Moskee, beter bekend onder de naam Blauwe Moskee. Toeristen smullen ervan. s Avonds zit men op bankjes en luistert naar een met donkerbruine stemmen gedeclameerd hoorspel compleet voorzien van een lichshow die van de mosee een sprookjeskasteel maakt. Istanbul heeft wat te bieden. Mensen komen, stappen uit het vliegtuig, genieten en gaan met een tevreden gevoel weer naar huis, men heeft waar voor zijn geld gekregen. Natuurlijk kijk ook ik geinteresseerd toe maar datgene wat ik doorgaans op de fiets beleef laat zich temidden van de massa moeilijk vinden. Zo kwam ik een paar dagen terug nog in een niets zeggend dorp. Mannen op een terras van een eenvoudig theehuis nodigden mij uit, gewoon enkeluit nieuwsgierighied. Betalen voor de thee was er na afloop niet bij. En toch heb je na afloop wel het idee dat je de mannen wat hebt terug gegeven. Al was het maar de kleine herinnering aan die gekke fietser die op weg was naar Iran en misschien nog wel verder. Dat is een van de dingen die het verschil maakt tussen toerist en reiziger.

Daarnaast wil ik proeven hoe het dagelijks leven zijn gang gaat, geromantiseerde verhalen over vroeger zeggen mij niet zo veel. Dat leven bevindt zich buiten de fraaie pleinen. In de straten waar de markten zijn, de winkeltjes met koopwaar voor alledag, de kappers werkplaatsen en noem maar op. Zomaar een heel klein willekeurig deel van een enorme miljoenenstad, de plaatsen waar geen dictator ooit interesse voor heeft getoond.

In een golfbeweging langs de Zwarte-Zee

De weg was er vrijwel leeg. Het oversteken van grenzen leek door zowel Roemen als Bulgaren niet veel te worden gedaan. Naarmate ik verder kwam werd het steeds drukker en drukker, omgekeerd evenredig met Roemenie. Steeds meer dorpen verschenen er, of beter gezegd toeristenresorts net klaar of nog in aanbouw. Bijna zonder mensen. Voor wie of wat vraag ik me af. Voorzien Spanje, Turkije, Tunesie en misschien Italie daar niet al ruimschoots in? Moet Bulgarije ook nogzonodig meedoen? Drie, vier en vijf sterren hotels, zwembaden, pretparken, golfbanen, het kan niet op. Er wordt beweerd dat het investeringsobjecten van de Russchische Mafia zijn waarbij witwassen belangrijker is dan winst maken. Slechts drie maanden per jaar komen er een hand vol mensen. Engelsen voornamelijk, families Flodder die zich er voor een paar weken filantroop wanen, want goedkoop is het allemaal wel. Daarna keert de rust weer terug.

In Pomorie staathet summum van dit alles: Het vijf sterren Sunset Resort, een imposant protserig gebouw waarbij Huis ter Duin in Noorwijk bij in het niet valt. Onlangs nog vergaderden er diverse regingsleiders om over de wereldproblematiek te praten. No lopen er stechts bewakers, tuinmannen, schoonmakers en ander personeel temidden van lege terassen en rij aan rij klaar staande standstoelen voorzien van ieder een eigen parasol.

Misschien heb ik niet het mooiste deel van Bulgarije gezien maar juist doordat ik vooraf een heel andere voorstelling van de Zwarte-Zeekust had is het wel een verrassing geworden. Straks mag ik nog even over een drukke weg fietsen die naarmate de grens met Turkije zal naderen, leger en leger zal worden. Daarna komt Istanbul waar het weer omgekeerd zal zijn. Fietsen in een golfbeweging langs de Zwarte zee.

Groet,

Harry

Ps. Voor degenen die mij willen sms-en: Ik ben voorlopig op een Turks nummer overgegaan. Voor wiehet wil weten, stuur even een emailtje.

Spookbeelden

Het verhaal dat hier stond verschijnt binnenkort als hoofdstuk in een boek !!

Z A D E L K O L O M M E N

Nog even geduld.

Wink

Grensperikelen

Eigenlijk was ik van plan hier een heel verhaal neer te zetten, over hoe je Oekraine in komt....en weer uit. Compleet met amuserende dialoogjes met bureaucratische douanebeambten. Maar internet is een vluchtig medium, de meeste lezers willen het kort en ook ik besteed mijn tijd liever buiten internetcafes die zich bovendien ook nog eens lastig laten vinden.

Maar kort gezegd komt het hier op neer: De grensovergang van Polen naar Oekraine was verboden voor fietsen, ervoor en er na mocht vrolijk worden gefietst. Bij de post 50 kilometer noordelijk was wel de mogelijkheid. Een ander optie was liften, ik zag daar de humor wel van in en stak direct mijn duim op. Een busje was bereid mij mee te nemen, ja inderdaad, voor 100 meter! Helaas was de bureacratische trommel daarmee niet leeg: ondanks dat de visumplicht is afgschaft, kreeg ik niet langer dan vijf dagen de tijd om Roemenie te bereiken. En niemand die kon vertellen waarom.

Aan de ander kant van de grens wachtte een land met de hoogste gatenindex in het wegennet die ik ooit had meegemaakt. Vrolijk peddelde ik er omheen en had na vier dagen als afsluiter een mooie Karpaten-pas op mijn kaart ontdekt die naar een officiele grenspost zou leiden. Prachtig mooi inderdaad. Helaas was die grenspost ook verboden, nu niet alleen voor een fiets maar ook voor mij als EU burger. Nog een dag was er over om het land te verlaten. Na een nacht kamperen op een veel te schuine helling, wachten in de vroege ochtendkou op een bus die niet kwam, 25 kilometer fietsen over een baggerweg, 4 uur in een bus die wel kwam maar veel te lang geleden nieuw was geweest, met een fiets tussen mijn benen en last but not least nog eens 40 kilometer fietsen naar de grens. Deze keer met minder gaten in het wegdek maar met een evenredig aantal vrachtwagens naast mij. Poe poe, terug in de EU. Mag ik zeggen dat je daar moe van kan worden?

En de Oekrainers? Ze leven in een mooi land maar ik zag wel erg veel treurige gezichten op straat. De protserige kerken met glimmend gouden koepels, kerkhoven uitbundig kischerig versierd met een bonte mengeling van plastic bloemen en kransen, gaven de indruk dat men meer bezig in met het leven na de dood dan vrolijk te staan in het leven zelf. Leuk land daarom toch wel. Er valt wat te beleven, al waren de contacten dan ook maar vluchtig. Net als het internet.

Oswiecim en Brzezinka

En dan sta ik opeens stil. Voor betonnen palen met kilometers geisoleerd prikkeldraad, houten wachttorens, een stenen poort, een spoorlijn gelegen in een enorme vlakte. Was ik van plan hier te zijn? Ik weet het nog steeds niet, mijn gedachten zijn nog bij de route, deweg en de drukte. Verhit en gejaagd sta ik noodgedwongen stil. Hoe kan ik nu nog doorrijden?

Waren mijn eerste dagen in Polen nog heel ontspannen. Over kleine weggetjes reed ik,door heuvellandschap met bossen, extensief beheerde ruige graslanden en door dorpen die bijna leken te slapen onder nostalgisch verstikkende dekens van verbrand antraciet.

Zo anders is het ten zuiden van Katowice. Natuurlijk moest het er een keer van komen en zo heel af en toe is het ook niet erg om langs stedelijk gebied te rijden. De locale wegen zaten vol vrachtverkeer, net als de hoofdwegen. De laatste kilometers zette ik daarom de 'knop' om, over de vluchtstrook dan maar, daar was in iedergeval nog ruimte voor een fiets. Rechtdoor, blik vooruit en een flink tempo erin. Niet meer hoeven zoeken naar de juiste afslag die toch niet te vinden was: wat schoot dat ineens lekker op! Ik kreeg er zelfs plezier in. Kilometer na kilometer ging er onder mijn malende benen door. Tot nu dan, abrubt stond ik stil.

Ik was hier naartoe gekomen omdat ik na twee nachten wildkamperen behoefte had aan een douche. De kaart kaf een hotel en een jeugdherberg aan, verder niets. En de namen Oswiecim en Brzezinka zeiden mij niets. Ten zuid westen van Krakow, daar... maar daarben ik immers toch nog niet? Een dagtrip er naartoe, daar dacht ik nog over na. Maar is dit...? Mijn blik glijdt over de vlakte: rijen barakken, wachttoren, schoorstenen zonder de bijbehorende gebouwen, prikkeldraad, vooral heel veel prikkeldraad, geisoleerd om onder spanning te kunnen staan. En dan dringt het tot me door. Dit IS het grootste vernietigingskamp dat de mensheid ooit heeft voortgebracht. Dit IS Auschwitz!

Servies in Meissen

Meissen, niet ver van Dresden, is beroemd om zijn porcelein. Komt je servies daar vandaan dan weet je dat je iets moois in huis hebt. Geschikt voor het gebruik op speciale gelegenheden, gecompleteerd met het zilveren bestek dat je als uitzet tijdens je trouwen gekregen hebt. Ondanks dat de gelegenheid voor mij toch wel speciaal genoemd mag worden, doe ik het doorgaans slechts met een geelplasic Mepal bord, lichtgewicht roze bestek en een opvouwbare groene beker. Daar kan ik mee gooien als dat zo uit komt en in de fietstassen mee over de Oost-Duitse keien hobbelen zonder dat het stuk gaat.

Meissen zelf ziet er ook veelbelovend uit. Een imposante vestingstad is het met een indrukwekkend hoge burgt in fraai gerestaureerde staat. Helaas regent het alzowat de hele dag. Wat een treurige toestand. Het is alsof al het servies gesneuveld is en God huilt. Met mijn verkleumde handen in doorweekte handschoenen trap ik omhoog tot op het marktplein. Even overweeg ik nog hoger op te gaan. Mooi zal het er zeker zijn, maar leuk is toch anders. Handen warmen heeft voorrang. Ik ga een ijssalon voorbij. Modern strak, steriel en ijzingwekkend leeg. Enkele volhardende toeristen lopen onder paraplu's verscholen door de glimmendebijna verlaten straten.De huizen zijn fraai gestuct en geschilderd in geel roze en groen. Wonderlijk, precies de kleuren van mijn uitzet! En aangezien dit als als dakloze mijn welliswaar tijdelijk interieur genoemd mag worden, doe ik het kennelijk zo slecht nog niet. In een bruin eetcaf'e neem ik mijn toevlucht. Met bratkartoffelen en snitzels, geserveerd op hoe kan het ook anders, een porceleinenbord in een ambiance met slagermuziek . Als het weer straks opklaart geniet ikvoorlopig nog maar even van mijn plastic servies.